Casper Hulshof bespreekt voor Komenskypost de ICT-ontwikkelingen in het onderwijs naar aanleiding van het SURFnet Trendrapport.

Onlangs verscheen het SURFnet Trendrapport 2016. De ondertitel ervan is “Hoe technologische trends onderwijs op maat mogelijk maken”. In dit stukje kies ik ervoor om het woord ‘trends’ door ‘ontwikkelingen’ te vervangen, want naar mijn idee dekt die term beter de lading. Bij een trend denk ik ook te veel aan een modeverschijnsel, of aan een hype. Terwijl het nadrukkelijk niet om hypes gaat (ook al komt Gartner’s hype cycle langs), maar om ontwikkelingen die het onderwijs van de nabije toekomst ingrijpend kunnen veranderen. Welke ontwikkelingen dan? Het afgelopen jaar verzamelde SURFnet een bont gezelschap van 44 experts (specialisten op het terrein van een specifieke ontwikkeling). In het rapport bespreken zij dertien interessante ontwikkelingen rond drie grote thema’s.

De drie thema’s gaan over technologieën die bijdragen aan:

  • Didactische verrijking
    Hieronder vallen virtual reality, serious gaming, gamification, internet of things, en het virtuele klaslokaal.
  • Organiseren van flexibiliteit
    Hieronder vallen het virtuele klaslokaal (deze overlapt met o.a. adaptieve leeromgeving) online identiteit, digitale badges, open content, persoonlijke leeromgeving, en een adaptieve leeromgeving.
  • Adaptief leren
    Hieronder vallen persoonlijke leeromgeving en een adaptieve leeromgeving (ook hier weer die overlap), learning analytics, digitaal toetsen en learning analytics, en kunstmatige intelligentie.

Dertien onderwerpen, het ene onderwerp wat herkenbaarder dan het ander. Er zit ook enige overlap in (Waarom serious gaming en gamification niet bij elkaar, en vallen digital badges daar in zekere zin ook niet onder? Learning analytics lijkt tweemaal besproken te worden.)

In de inleiding beargumenteert Wilfred Rubens het belang van technologie: de kenniseconomie stelt steeds hogere eisen aan mensen en daarom moet onderwijs meer rekening houden met de verschillen tussen studenten. Ik noem dat ook wel het standaardargument voor technologie. In dit geval gaat het om de sleutelrol van ICT  bij het organiseren van persoonlijk en flexibel onderwijs.

Het overzicht van de dertien technologieën is vooral een showcase: veel mogelijke obstakels (geld, benodigde docentprofessionalisering, ontwikkeltijd) komen niet aan bod. Wel worden kansen en uitdagingen besproken. Niet alles zal even gemakkelijk zijn, is de teneur daarvan. De beschrijvingen van de dertien technologieën zijn mooi beknopt geschreven en geven een indruk van de achtergrondideeën, mogelijke praktijktoepassingen, en de potentie voor het hoger onderwijs. Het leidt er wel toe dat argumenten soms wat gezocht lijken. Een voorbeeld is de manier waarop virtual reality kan bijdragen aan onderwijs op maat. De auteurs stellen: ‘De student kan bepalen hoe, waar en wanneer hij of zij VR inzet voor het eigen leerproces.” Ten eerste is het maar de vraag of dit het geval is en of studenten in staat zijn dit voor zichzelf adequaat te bepalen. Het lijkt logischer als VR juist vanuit didactisch oogpunt strategisch ingezet wordt. Maar dat is dus omgekeerd aan de doelstelling van dit rapport (onderwijs op maat), dus dat argument kunnen de auteurs niet gebruiken. Je ziet dit vaker terugkomen in de verschillende stukken. Ook bij andere ontwikkelingen geldt: het vergroten van autonomie van de studenten is niet noodzakelijk in hun voordeel. Aan elk hoofdstuk is een korte reactie van een student toegevoegd. Die reacties focussen vooral op gemak. Het Internet of Things maakt het doorgeven van een roosterwijziging makkelijker, wat een treinrit kan schelen. Afspraken maken gaat makkelijker als de student het zelf kan doen. “Nu moet ik vaak wachten op antwoord en dat kan soms weken duren.” Een bekend probleem, maar wat het met het ‘Internet of Things’ te maken heeft ontgaat me. In de reacties op al het moois dat gepersonaliseerd leren kan bieden (badges, instellingsoverstijgend studeren) tonen studenten zich ook realistisch: een student moet er wel behoefte aan hebben en eigenlijk wordt de technologie vooral als een extraatje beschouwd en niet als vervanging van de huidige situatie. Het is dan ook logisch dat studenten (maar ook de tekstschrijvers) aandacht besteden aan het belang van fysieke nabijheid (om ervaringen te delen) en het gevaar van privacyschending (dat bij onder andere learning analytics altijd op de loer ligt en dat Jarmo Berkhout als voorzitter van de LSVb helemaal niet zit zitten).

Het laatste onderwerp is kunstmatige intelligentie. Daarover is de laatste tijd veel te doen omdat de ontwikkelingen daarin in een stroomversnelling geraakt lijken te zijn. De auteurs zijn niet echt into science-fiction, anders was het door hun geschetste toekomstscenario wellicht wat interessanter geweest. Het scenario gaat over een docent in 2030, die ’s ochtends ziet dat negentien studenten een werkstuk hebben ingeleverd. De ‘digitale assistent’ heeft iedereen vooraf al uitgebreid feedback gegeven, waardoor allen ‘naar een hoger niveau zijn gebracht’ (wat dat inhoudt wordt niet gezegd). De docent is blij verrast, ook omdat plagiaat niet meer voorkomt. “Alle zinnen kleuren namelijk blauw”. Je kunt je ten eerste afvragen wat deze docent zelf nog doet. Daarnaast getuigt het van enige naïviteit om te denken dat kunstmatige intelligentie op deze manier in de toekomst alleen aan de docentkant gebruikt zal worden. In hetzelfde scenario past een student die met behulp van kunstmatige intelligentie een stuk schrijft dat gegarandeerd geen plagiaat is. De vraag is dan wie wie voor de gek houdt: de student of de docent. Het artikel gaat helaas niet in op die nadelen. Wel komt het holodeck (vreemd genoeg zonder verwijzing naar Star Trek) ter sprake: een combinatie van virtual reality en kunstmatige intelligentie. De arme student die hierop moest reageren had het er duidelijk moeilijk mee.

Al met al geeft het trendrapport een mooi kijkje in het proeflab van SURFnet. Voor het algemene publiek laat een dergelijk goed toegankelijk rapport zien hoe technologische innovaties via geleidelijkheid hun weg naar het onderwijs weten te vinden, ook al blijft het koffiedik kijken hoeveel daadwerkelijk over een paar jaar echt beklijft.