Door Jan Lepeltak

De recent georganiseerde ResearchEd Amsterdam 2018 telde 450 bezoekers uit het onderwijs en de wetenschap een aanzienlijk toename van het aantal bezoekers vergelijken met vorig jaar. Het valt te hopen dat ResearchEd Amsterdam (dat overigens al twee jaar in Amstelveen plaatsvindt) niet aan zijn succes ten onder gaat. Logistiek lijkt de rek er een beetje uit op de locatie van het Hermann Wesselink College gezien de lange rij bij de lunch. Maar een kniesoor die daar op let.

ResearchEds zijn een oorspronkelijk initiatief van de Engelse vo-leraar Tom Bennett. Het was Jan Tishauser die in 2016 ResearchEd naar Amsterdam bracht. Inmiddels zijn er ook vergelijkbare bijeenkomsten in o.a. New York, Toronto en Zuid-Afrika. De informele sfeer waarin onderwijswetenschappers en leraren ideeën uitwisselen en luisteren naar resultaten van onderzoek, gecombineerd met de lage toegangsprijs (€ 75,-) hebben deze inhoudelijk rijke bijeenkomsten mede tot een succes gemaakt.

Grondlegger Bennett was nadrukkelijk aanwezig op de dag en gaf zelf een lezing over klassengedrag of beter ‘klassenmisdragingen’.  Vooral als je als leraar begint, is het gedrag van leerlingen vaak problematisch, terwijl uit onderzoek blijkt dat er op de lerarenopleidingen niet erg veel aandacht aan wordt besteed. De gemiddelde nachtclubsecurity officer is in de UK beter opgeleid volgens Bennett. Uit Engels onderzoek, gedaan in opdracht van het ministerie van onderwijs, blijkt dat in eerste aanleg 75% van de schooldirecties aangeeft dat er geen problemen zijn. Maar de praktijk blijkt uit aanvullend onderzoek weerbarstiger.

Wanneer binnen een school het leerlingengedrag verbetert dan heeft dat direct impact op: 1. De sociale- en leerprestaties van de leerlingen 2. De onderwijstijd die beter en effectiever wordt gebruikt, 3. De grotere satisfactie bij de onderwijsgevenden. Werven van leraren wordt eenvoudiger en het vertrek na enkele jaren van docenten wordt minder.
Het is van belang dat men een cultuur creëert op school (“zo doen wij dat hier op school”) die iedereen begrijpt en onderschrijft binnen de schoolgemeenschap. Scholen verschillen sterk in context en leerlingbevolking dus er bestaat geen simpel advies, stelt Bennett. Maar enkele algemene conclusies uit het onderzoek zijn wel te trekken.  Een helder, zichtbaar en consistent schoolleiderschap is belangrijk, net zoals een heldere schoolcultuur met bijbehorende gedragsregels (al noemt Bennett ze niet zo, hij spreekt liever van een consistente werkpraktijk). En ook een grote mate van commitment van het lerarenteam en de ouders bij de schoolvisie en strategieën is een voorwaarde. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid van de schoolleiding en docenten bij de nascholing. Het klinkt wellicht als een open deur maar naast hoge eisen die men stelt aan de leerlingen en leraren moet er de overtuiging zijn dat alle leerlingen er even veel toe doen.

24rd century skills en Star Trek

De presentatie van onderwijskundige Casper Hulshof, Star Trek specialist en KomenskyPostredacteur, over 24rd century skills bestond uit een onderhoudende analyse van Star Trek, dat enkele honderden Star Trek tv-afleveringen, computerspellen, speelfilms en animatiefilms, een tijdsbestek van vier eeuwen bestrijkt en die vanaf eind jaren ’60 op televisie werden uitgezonden.

Hulshof focuste vooral op aspecten van cultuuronderwijs en scholing in de serie. Sommige futuristische zaken uit de vroegste serie blijken enkele decennia later realiteit te zijn geworden tot aan de hologrammen met menselijke representaties toe.
Maar hoe zit het met onderwijs en cultuur? We zien dat Captain Picard in zijn vrije uurtjes het liefst een boek van Shakespeare leest (weliswaar geïllustreerd, maar toch). Er wordt klassieke muziek gespeeld op traditionele, ‘klassieke’ instrumenten. Het onderwijs op de Star Fleet Academy (het Star Trek recrouting centre) is vrij traditioneel met de nodige directe instructie maar ook individueel werken. Tot eind mei 2018 is er onder dezelfde naam een tentoonstelling in New Jersey te zien waarin heel veel artefacten uit Star Trek zijn te bewonderen.  In het algemeen lijken de fundamentele 24rd century Skill en eerder, niet fundamenteel anders te zijn dan de 21rd century skills die feitelijk (op zekere digitale vaardigheden) weer erg lijken op de skills van de vorige eeuw: communiceren, sociale vaardigheden. Hulshof, ,die zichzelf overigens niet als een echte Trekkie beschouwt, liet ook zien hoe de serie op school gebruikt kan worden bij bijvoorbeeld lessen biologie, techniek, milieu, religie en verslaving.

Dyslexie en Laaggeletterdheid

 De discussie over dyslexie die vorig jaar op KomenksyPost naar aanleiding van de lezing van hoogleraar Anna Bosman losbarstte (zij was nu niet aanwezig) kreeg door een andere hoogleraar Aryan van der Ley opvolging. Zie de discussie op. KomenskyPost hoopt daar nog op terug te komen. De bottom-line is, kort door de bocht, dat beide professoren het erover eens zijn dat het waanzinnig hoge percentage van dyslecten niet aangeeft wat het probleem feitelijk is. Zet Bosman nog vraagtekens bij het begrip dyslexie (ook hersenonderzoek geeft geen algemeen geaccepteerde bewijzen over deze ‘aandoening’). Van der Ley stelt dat het percentage met Enkelvoudige Ernstige Dyslexie (EED) en het aantal laaggeletterden (de zwakste 25%)  door goede interventies en het langdurig gebruik van o.a. digitale programma’s, sterk kan doen afnemen. Daarin lijkt hij niet van mening te verschillen met Anna Bosman).  Zie ook http://komenskypost.nl/?p=1911

De workshop over risicoleerlingen en laaggeletterdheid van Kees Vernooy, expert op het gebied van taal- en leesonderwijs, sloot hier goed bij aan. Hij citeerde o.a. Catherine Snow , de Harvardprofessor, een autoriteit op dit gebied en in mijn tijd werkzaam op het instituut voor algemene taalwetenschap van de universiteit van Amsterdam : Alle initiatieven die een school onderneemt, zijn minder belangrijk dan kinderen leren lezen!

Vernooy’s presentatie ging over effectieve interventies voor risicolezers. Nederland kent een hoog percentage laaggeletterden en functioneel analfabeten. Telt men het aantal dyslecten en laaggeletterden bij elkaar op dan komt men op 30% van de bevolking.
De kern van Vernooy’s betoog is dat veel interventies niet effectief zijn. Wil een ingrijpen in de ontwikkeling effect hebben dan dient men vroegtijdig in te grijpen en aan te sluiten bij de taal/leesontwikkeling van het kind. De schoolse periode tot en met groep 5 is het belangrijkste voor het leren lezen en schrijven in een alfabetische taal. Voor het wie het nog wist: de leerkracht is belangrijker dan de methode die wordt gebruikt. Een goede leraar met een slechte methode kan toch nog iets moois opleveren. Een goede methode met een slechte leraar is een ramp.

Vroege interventies in de kleutergroepen en groep 3 hebben volgens onderzoek (Richards-Tutor e.a.) geleid tot zichtbare effecten voor de beginnende leesvaardigheid. Vroeg signaleren en goed opgebouwde directe instructie, gecombineerd met coaching en het monitoren van de leesontwikkeling zijn de basisingrediënten voor een goede interventie.

Vloeiend hardop kunnen lezen is een indicator voor de totale leesontwikkeling.  Laat leerlingen (zwakke met sterkere) in duo’s praten over teksten (peer tutoring). Ook ouders kunnen tutor zijn. Daarbij is kunnen differentiëren als leraar een voorwaarde, stelt Vernooy.

Meer dan de helft van de leerkrachten in het basisonderwijs differentieert onvoldoende in de les. Dit blijkt uit de onderzoeken van de onderwijsinspectie en is te lezen in hun jaarlijkse staat van het onderwijs (2015-2016). Marieke van Geel (UTwente) en Trynke Keuning (Maastricht University) doen onderzoek naar o.a. de cognitieve aspecten van differentiëren als complexe leraarvaardigheid. Binnen het Matchproject, dat zich vooral op rekenen richt, willen zij komen tot het gebruik van de beschikbare tools voor leraren die kunnen hen helpen bij het differentiëren. Het blijkt dat differentiëren in de lerarenopleiding ook maar mondjesmaat aan de orde komt. Zie ook https://www.kpz.nl/assets/Kennisbank/Rekenen/2016-13-2-match-project-differentieren-bij-rekenen.pdf

Executieve functies

Hoogleraar Jelle Jolles ging in op het belang van aandacht voor de zogenoemde executieve functies in het onderwijs. Executieve functies stellen een persoon in staat om simpele tot complexe handelingen te verrichten op grond van een actieplan (J.Jolles, Het Tienerbrein p.141).  Executieve functies zorgen er bijvoorbeeld voor dat we kunnen plannen en prioriteren en kunnen ‘samenvatten’ waar een tekst over gaat. Ook impulsbeheersing maakt er deel vanuit. Het ontwikkelen van deze brein gerelateerde functies gaat niet vanzelf maar moet worden begeleid en gestimuleerd. Hoe dat binnen een onderwijsleersituatie moet, werd niet geheel duidelijk. Dit soort aspecten kwam overigens wel aan de orde in de studielessen die ik zelf decennia geleden in de onderbouw heb gegeven.
In zijn boek Het Tienerbrein gaat Jolles uitgebreid in op de executieve functies (het zijn er nogal wat) en geeft hij een interessante verhandeling over de relatie ADHD en executieve functies. Momenteel werkt hij aan een nieuw boek waarbij vooral de kennis over het puberbrein concrete handvatten moet opleveren voor leraren.

“Onderwijs of leren”

Waar iedereen op had gewacht werd een teleurstelling. Dat zie je wel vaker bij debatten tussen opponenten in ons polderlandschap. Onder leiding van Alderik Visser zou er door Pedro Bruyckere, Jos Cöp, Casper Hushof, Kees Vuyk en Hartger Wassink gediscussieerd worden rond het thema “Onderwijs of leren”.  Er werd om de hete brei heen gedraaid. Iedereen was het toch wel een beetje met de ander eens en dat is niet bevorderlijk voor een leuke discussie. Paul Kirschner werd node gemist.
Visser begon met enkele citaten uit het werk van Domela Nieuwenhuis (anarchistisch politicus) die aan de wieg stond van de libertaire school en van Theo Thijssen schrijver (o.a. Kees de jongen, De gelukkige klas ,onderwijzer en sociaal democratisch politicus.  De libertaire school bestaat nog steeds. Hij staat in Zaandijk en het is een school waar volgens Visser kinderen van Zaanse elite heen gaan. We citeren Domela Nieuwenhuis even: De wens van elk libertair socialist is om zijn kinderen te zien opgroeien tot wezens met een eigen wil, vol initiatief, mensen van karakter, vol haat tegen elk uitwendig gezag (…). En dat is niet mogelijk tenzij het kind van zijn prilste jeugd af vrij word gelaten. Het gevoel der menselijke waardigheid moet aangekweekt worden en dat kan alleen door de kennis van zichzelf en van het milieu waarin men leeft. Laat ons de mens niet afscheiden van de natuur, want hij is zelf een stuk natuur en behoort tot haar. Rousseau als inspirator. Ook doet het denken aan de Agora-aanpak. De leerling staat centraal. Als contrast wordt de visie van Theo Thijssen genoemd. Thijssen wil dat de kinderen echt wat leren (leerstofgericht) en werkt geheel in de geest van de verheffingsgedachte van de sociaal-democraten. Op de vraag leerstof of leerlinggericht? Kiest Pedro de Bruyckere na lange aarzeling voor leerstofgericht. Hartger Wassink kiest ondubbelzinnig voor het kind en Casper Hulshof zegt dat kiezen voor de leerstof betekent kiezen voor het kind. De vraag was of de focus op persoonvorming (vgl. Biesta e.a. met het mistige begrip subjectificatie) op school zinvol was. Is dit niet primair een zaak van de ouders?  Persoonsvorming zit natuurlijk impliciet altijd in een curriculum. Ondanks de vraag of we de (vermeende) focus op leren en opbrengsten moeten loslaten en het onderwijs moeten inrichten voor de hele mens met de focus op persoonsvorming kwam het niet echt tot een klare discussie.

Theo Thijssen blijkt overigens genuanceerd in zijn opvattingen. Meester Staal, zijn alter-ego in De Gelukkige Klas, stelt in zijn dagboek in deze prachtige roman: “M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat jullie nooit zeggen.’’