In KomenskyPost van 6 juni 2018 berichtten we over de ‘verdwenen’ honderden miljoen (NOA-gelden) die naar de schoolbesturen zijn gegaan voor werkdrukverlichting en salarisverhoging van leraren. Hans Duijvestijn toonde aan dat het op zijn zachtst gezegd onduidelijk was of dit geld ook gebruikt is waar het voor bedoeld was. De onderwijsinspectie trachtte tevergeefs aan te tonen dat het wel goed zat. Minister Arie Slob reageerde recent naar de 2e kamer op de kritiek van Hans Duijvestijn. (Zie bijgaand pdf-bestand). Zijn verdediging van het inspectierapport lijkt niet sterk: het is vooral een kwestie van “verschillende aannames” meent hij.

Hierbij de reactie van Hans Duijvestein op het schrijven van Minister Slob.

Door Hans Duijvestijn

De minister heeft in zijn brief van 22 augustus jl. uitgebreid gereageerd op de twee notities die ik op 30 mei 2018 aan uw commissie OCW van de Tweede Kamer heb verstuurd. Alvorens gedetailleerd in te gaan op de reactie van de minister, moet ik constateren dat de minister niet reageert op het belangrijkste bezwaar dat ik heb gemaakt tegen het gebruik van de verhouding Personeelslasten/Totale Baten (PL/TB). De verhouding PL/TB is volstrekt ongeschikt om te gebruiken als graadmeter voor het inzetten van meer docenten. PL/TB is namelijk ook zeer gevoelig voor fluctuaties in het winst- of verliessaldo van onderwijsinstellingen. Zoals de minister zelf aangeeft vormden de NOA-gelden nog geen procent van de totale bekostiging. Het winst- of verliessaldo fluctueerde in die jaren met een veelvoud daarvan. Een stijging van PL/TB kan dus nooit gebruikt worden als bewijs dat er extra leraren zijn ingezet. Overigens blijkt uit Grafiek 3 op pagina 5 van mijn tweede notitie dat er in 2015 en 2016 geen sprake was van een stijging.

Bij het bespreken van de brief van de minister zal ik de kopjes aanhalen die de minister hanteert.

Uw Kamer wordt goed geïnformeerd

De minister verwijst naar onderzoek van de PO-raad en de VO-raad die positieve signalen zouden geven over een juiste besteding van de NOA-gelden. De minister vermeldt niet dat al op 21 december 2015 de NRC op de voorpagina opende met de kop “Scholen houden extra onderwijsgeld in kas”. De NRC baseerde zich daarbij op de Inspectie van het Onderwijs die in de Financiële staat van het onderwijs 2014 constateerde dat de NOA-gelden in 2014 juist niet hadden geleid tot extra uitgaven. Daarmee werden de onderzoeken van PO- en VO-raad die betrekking hadden op 2014 feitelijk onderuitgehaald. In januari 2016 verscheen het rapport “Een bodemloze put?” (Hans Duijvestijn BON, 2016) waarin ik aantoonde dat in 2014 iets meer dan 300 van de beloofde 3.000 extra leraren gerealiseerd waren. In 2017 spreekt de inspectie zich uit over de jaren 2015 en 2016 met de claim dat dan pas sprake is van besteding van de NOA-gelden. De inspectie doet wel degelijk harde uitspraken over aantallen fte extra (6.000 in het po en 3.300 in het vo), maar dat zijn nog geen leraren en de minister doet er dus verstandig aan deze aantallen niet over te nemen.

De inspectie opereert transparant en controleerbaar

In mijn eerste notitie heb ik aangegeven de berekeningen van de inspectie niet te kunnen controleren. In een gesprek in januari 2018 heeft de inspectie volledige openheid gegeven van de gebruikte onderzoeksmethode hetgeen leidde tot de tweede notitie. Op dat punt valt de inspectie dus niets te verwijten.

De methoden en aannames van de inspectie zijn weloverwogen

De minister motiveert op geen enkele manier waarom hij de keuze van de inspectie voor de maatstaf personele lasten ten opzichte van de totale baten terecht vindt. Verder stelt hij dat er een algehele veronderstelling was dat in de jaren na de incidentele bate schoolbesturen die middelen geleidelijk zouden besteden aan personeel. Die veronderstelling is nergens op gebaseerd. Schoolbesturen baseren hun begroting op de verwachte te ontvangen bijdrage van de overheid in het begrotingsjaar, niet op incidentele ontvangsten in voorgaande jaren.

De inspectie baseert een trend op basis van de cijfers van 5 jaren. Ik wil graag in discussie met de econometrist die dat een goed idee vindt. Uit de door mij gebruikte cijfers van 2006 tot en met 2013 blijkt dat er in het po geen sprake is van een trend, maar een sterke fluctuatie. Het heeft dan ook geen enkele zin om de (niet bestaande) trendlijn door te trekken naar 2014 en verder. Voor het vo hoefde ik het ontbreken van een trend niet aan te tonen, want die bestond al niet in de cijfers van de inspectie.

Het siert de minister dat hij mij gelijk geeft op het punt van de zogenaamde Buma-gelden. De inspectie geeft aan dat door deze correctie het verschil tussen trend en realisatie wel kleiner wordt, maar de conclusies overeind blijven. Helaas hebben we net vastgesteld dat die trend niet bestond.

In het gesprek dat ik in januari 2018 met de inspectie had werd mij ook een analyse overhandigd met betrekking tot personeel niet in loondienst (PNIL). Het ging hier om veronderstelde aantallen fte PNIL. De kosten van PNIL zitten gewoon in de personeelskosten en tellen dus mee bij de bepaling van PL/TB. Dat verandert dus niets aan mijn conclusies.

Middelen voor hogere salarissen en werkdrukverlichting voor leraren staan los van de discussie over de NOA-gelden

Dankzij de soms felle discussie over de besteding van de NOA-gelden is er nu extra aandacht voor de wijze waarop nu de extra middelen voor het onderwijs gaan worden ingezet. Ik ben daar met de minister blij mee, maar zolang de systematiek van de lumpsum gehanteerd wordt blijft het voor zowel de minister als de Tweede Kamer moeilijk om de vinger aan de pols te houden.

Tot slot

De minister kwalificeert de methoden van de inspectie als transparant, controleerbaar en weloverwogen. Dit zou ook kunnen betekenen dat de inspectie weloverwogen heeft gekozen voor een methode die de gewenste resultaten opleverde. Gelukkig verwijt hij mij niet onzuiver te handelen. Dat motiveert mij om mijn onderzoek naar de vermogensvorming in het onderwijs voort te zetten.

Hans Duijvestijn is econometrist en onderzoeker Onderwijsbekostiging. Hij werkte o.a. als docent Bedrijfskunde. De laatste vijf jaar doet hij onderzoek naar de effecten van de bekostigingssystematiek in het onderwijs. Hij werkte ook mee aan het televisieprogramma De slag om Nederland van de VPRO. Daarin bekritiseerde hij de geldverkwisting in het mbo en verder publiceerde hij onder het motto:  Geld voor stenen in plaats van onderwijs.