Door Jan Lepeltak

Onlangs verscheen in de New Yorker een uitgebreid artikel over het leren van een vreemde taal. Daarbij werd gekeken naar hoe hyperpolyglotten, mensen die minimaal elf talen vloeiend spreken, een vreemde taal leren. Als voorbeeld figureerde Luis Miguel Rojas-Berscia van het Max Planckinstituut voor psycholinguïstiek in Nijmegen. Deze 27-jarige Peruviaan spreekt 27 nog levende talen vloeiend: Spaans, Italiaans, Piedmontese, Engels, Mandarijn, Frans, Spaans, Portugees, Roemeens, Quechua, Shawi, Aymara, Duits, Nederlands, Catalaans, Russisch, Haika Chinees, Japans, Koreaans, Guarani, Farsi en Servisch. Dertien van de talen spreekt hij vloeiend. Het woord hyperpolyglot werd twintig jaar geïntroduceerd door de Engelse linguïst Richard Hudson die via Internet opzoek was naar de beste vreemde taal ‘leerders’ in de wereld.

Er is duidelijk sprake van aanleg voor het leren van een vreemde taal, maar waar deze zich in ons brein bevindt is moeilijk eenduidig vast te stellen. Verschillende functies blijken in verschillende delen actief. Het vocale deel speelt zich in een ander gebied af dan bijvoorbeeld de component die voor de grammatica zorgt.

Er is geen eenduidige didactiek. Rojas-Berscia gebruikt wel zijn taalkundige kennis maar combineert deze vooral met alledaagse gesprekken met native-speakers. Hij heeft een soort taalkundige verbandkist waarmee hij met name let op subject-predicaat relaties (onderwerp, naamwoordelijk/werkwoordelijk gezegden, koppelwerkwoorden en bijvoorbeeld lijdend voorwerp), ontkenning, vraagzinnen, voorzetsels, persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij) kwalificaties als goed of slecht. Maar ook basic overlevingswoorden zoals eten, kijken, drinken, iets willen, lopen, ziek worden. Zo kan men combineren: Ik zie een appel, ik wil een appel, wil jij een appel?

Kennis van de cultuur, de mores en de gewone taal en uitdrukkingen vindt hij zeer belangrijk. Hij reist veel en heeft bij aankomst gesprekken over de alledaagse onderwerpen met taxichauffeurs zoals familie en vrienden.
Toen ik NT2-taalkundige René Appel eens vroeg wat hij de beste aanpak vond kwam hij met een vergelijkbaar antwoord: elementaire taalkundige kennis combineren met alledaagse communicatie en dat laatste veel doen met echte moedertaalsprekers.

Onderdompeling

Mensen leren een vreemde taal het best wanneer hij/zij geruime tijd in een omgeving wordt geplaatst waarin uitsluitend de te leren taal gesproken wordt. Men wordt in de taal ondergedompeld. Dat onderdompeling de beste benadering is wordt ook onderschreven in het verslag van een uitgebreid onderzoek naar wetenschappelijke literatuur over het vreemde taalonderwijs. Dit literatuuronderzoek, uitgevoerd door de Universiteit Leiden, ging in op de effecten van vroeg vreemde talenonderwijs op de moedertaal en de leerprestaties in de vreemde taal.[i] Vroeg starten lijkt in alle vormen van onderwijs in combinatie met veel input in de vreemde taal het meest positief bij te dragen aan de uiteindelijke prestaties in die vreemde taal, zo stellen de onderzoekers in hun eindconclusie vast.

Men wordt “gedwongen” de vocabulaire, de grammatica en de uitspraak op natuurlijke wijze te leren. Deze onderdompelingsbenadering wordt ook wel ‘immerse’-vreemdetalenonderwijs genoemd. Intensieve blootstelling aan een vreemde taal blijkt dus het meeste effect te hebben bij het leren van een vreemde taal. Dat wil niet zeggen dat wanneer men een taal op latere leeftijd leert (tijdens of na de puberteit) dit op dezelfde natuurlijke wijze gaat als bij jonge kinderen. Kinderen kunnen in hun gevoelige taalverwervingsperiode (tot ongeveer het negende levensjaar) moeiteloos meerdere talen verwerven. Daarbij moeten ze gedurende langere tijd intensief aan de betreffende tweede of derde taal zijn blootgesteld. Een kind dat opgroeit bij ouders die over verschillende moedertalen beschikken kan dan volledig tweetalig opgroeien, mits het kind veelvuldig input uit meerdere talen ontvangt van een native speaker.
Het leren van een tweede taal is daarom voor velen (met name volwassenen en jong volwassenen) een lastige, tijdrovende onderneming met vaak gering succes. Inmiddels is deze opvatting genuanceerd. De gevoelige periode om een taal jong moeiteloos te leren loopt ongeveer tot het negende levensjaar, dus nog voor de puberteit. Dat betekent dat het leren en beheersen van een vreemde taal daarna tot op latere leeftijd weliswaar moeilijker, maar zeer goed mogelijk is, zo blijkt uit recente onderzoeken.

Het gebruik van nieuwe media (bijvoorbeeld video en internet) maakt het mogelijk realistische contexten te creëren, sprekersanalyse toe te passen en te zorgen voor interactieve hoogwaardige input in de te leren taal. Uit onderzoek blijkt dat heel goede resultaten worden geboekt bij een mengvorm van onderdompeling en basale grammaticakennis. De combinatie van een docent en/of ‘native speaker’, bijvoorbeeld voor Duits of Mandarijns, die werkt met een onderdompelingsprogramma, levert goede resultaten op. Een taal leren is namelijk veel praten en luisteren.

De ontwikkeling van de didactiek

Tot in de jaren ’60 is het vreemde talen onderwijs (vto) sterk beïnvloed door een behaviouristische didactiek. Daarbij speelden practice-and-drill en expliciete grammaticakennis een dominante rol. Een taal leren werd vooral gezien als een vorm van gedragsverandering. Leerlingen leerden woordjes en hun betekenis uit het hoofd. Verder werd vaak veel tijd besteed aan de grammatica van de taal met de bedoeling dat de kennis zou ‘inslijpen’. Ook de grammatica was omstreden. Dat wil zeggen niet de grammatica op zich, maar de wijze waarop die aangeleerd moest worden: niet zoals gebruikelijk deductief gecombineerd met expliciete regels, maar door te oefenen met pattern drills, waarmee de grammaticale structuren van de taal zonder bewustmaking ‘ingeslepen’ werden. Ik herinner me een debat in Leiden waar de taalgeleerde Noam Chomsky het begrip oefenen en inslijpen, zoals zijn Leidse collega Uhlenbeck hanteerde, wetenschappelijk volledig fileerde.

De vreemde talen lessen werden vanaf de tweede helft van de jaren ’60 steeds minder in het Nederlands gegeven en steeds meer in de doeltaal. Daarbij kwam het accent te liggen op het alledaagse, communicatieve gebruik van de vreemde taal. Men spreekt dan ook van een communicatieve aanpak. De voertaal moet ook de doeltaal zijn. Het was ook de tijd van de eerste talenpractica waardoor er wel gesproken wordt van de audio-linguale methode. Er werden in vergelijking met het verleden duidelijk andere accenten in vreemde talenonderwijs gelegd.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw gaf de industrialisatie in Nederland ook een impuls aan de internationale handel, wat de kennis van vreemde talen belangrijk maakte. Het ging met name om handelscorrespondentie in het Engels, Frans en Duits. Daarbij was ook de kennis van spelling en grammatica van belang. Het zou overigens nog decennia duren voor het nieuwe hbs-diploma toegang gaf tot een universitaire opleiding. Het gymnasium behoorde tot hoger onderwijs en de hbs tot het middelbaar onderwijs. Het grammaticaonderwijs hing didactisch nog sterk op de taaldidactiek van de klassieke talen (Latijn en Grieks).

In de jaren zestig van de vorige eeuw maakte de aanpak van de nonnen van het Taleninstituut in Vught veel furore. Wat eerst bedoeld was als een “snelkookpancursus” voor missionarissen werd ontdekt door diplomaten en later door vele andere groepen. Deze benadering staat bekend onder de al eerder genoemde naam “Language Immersion”.

talenpracticum_eind_60_odulphus_tilburg

In Nederland werd de benadering geïntroduceerd door de jezuïet J. Mooijman. De Anglist Mooijman startte al in de jaren ‘50 de eerste talenpractica met gebruikmaking van oude Royal Airforce Intercomapparatuur. Mooijman gaf onder andere Engels op het St. Ignatiuscollege in Amsterdam en ik was een van zijn leerlingen. Nederlands spreken in zijn les was strikt verboden. Bij herhaalde overtreding schrok hij er niet voor terug om je met zijn liniaal een tik te verkopen. Verder was hij een bijzonder mens. Die ons, toen we zestien waren, aan mij en een schoolvriend vroeg of we wel eens hasj hadden gerookt. Op ons bevestigende antwoord kregen we een in zilverpapier gewikkeld stukje pure hasj van uitstekende kwaliteit. Hij wist niet wat hij ermee moest. Hij wilde wel weten wat onze ervaringen waren. Zijn didactische aanpak is later door twee andere leerlingen, Herman en Jan van der Bos, overgenomen bij het schrijven van hun methode Engels. Ik leerde met de ‘methode Mooijman’ goed Engels en de communicatieve aanpak is inmiddels gangbaar.

Jan Lepeltak

[i] Alessandra Corda, Chris Phielix, Eke Krijnen Wat weten we over vroeg Engels op de basisschool?

[2] Zie Stefka H. Marinova-Todd; D. Bradford Marshall; Catherine E. Snow. Three Misconceptions about Age and and L2 in: TESOL Quarterly, Vol. 34, No. 1. (Spring, 2000), pp. 9-34.