KomenskyPost info

“Misschien spreken jullie, mijn rechters, dit vonnis met meer angst uit dan waarmee ik het onderga.”

Comeniusherdenking 2017

Lezing van Comeniusprijswinnaar 2026 prof. dr. mr. Jonathan Soeharno


Met deze beroemde woorden sprak Giordano Bruno zijn rechters t
toen zij hem veroordeelden, omdat hij zijn (wetenschappelijke)
stellingen weigerde in te trekken. Op 17 februari 1600 werd hij
gemuilkorfd, om te voorkomen dat hij tijdens zijn executie nog zou
spreken – en levend verbrand. Zijn as werd in de Tiber geworpen. Al
zijn werken kwamen terecht op de index van verboden boeken.
Bruno werd gedreven door een intense nieuwsgierigheid. Die besloeg
werkelijk alles: van esoterie, het occulte tot wat wij nu ‘harde
wetenschap’ zouden noemen. Deze ongebreidelde nieuwsgierigheid
bracht hem tot zeer omstreden conclusies, bijvoorbeeld dat materie
bestaat uit atomen en dat het universum oneindig is en geen centrum
heeft (voor dat laatste werd hij in Oxford bespot).

Zijn drang naar kennis was hem meer waard dan zijn leven. Wie op de
Campo di Fiori in Rome loopt en zijn standbeeld ziet, ziet dan ook geen
angstige maar een vastberaden Giordano Bruno, die met vlammende
ogen kijkt naar het Vaticaan.
Bruno was een voorbeeld voor Comenius, die met lof over hem schreef.
Comenius moet veel van Bruno hebben herkend. Ook Comenius’
nieuwsgierigheid kende geen grenzen: hij is vooral bekend van zijn
pedagogiek, maar schreef ook over magie, over de steen der wijzen, over
alchemie en over zieners. Niet voor niets noemde hij zijn leer pansofie –
allesomvattende kennis.
Bruno en Comenius en hebben nog een ding gemeen. En dat is dat zij te
maken hadden met vijandige machten. Daardoor kwam hun leven
herhaaldelijk op het spel te staan, net als hun werken. Ook het leven van
Comenius werd gekenmerkt door vluchten en dreiging vanwege
wetenschappelijke stellingnames.
Dat overkwam ook een tijdgenoot van Comenius. Naast rechten en
filosofie heb ik theologie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht. De
eerste rector-magnificus van mijn alma mater – de theoloog Gisbertus
Voetius – deed de toen in Utrecht gevestigde filosoof René Descartes in
de ban. Descartes stelde rationele, methodische twijfel voorop (cogito
ergo sum). Een bedreiging voor het geloof, oordeelde Voetius, die
Descartes – we zouden nu zeggen – cancelde.
Bij theologie vond ik de spanning tussen de vrijheid van denken en
ideologie heel voelbaar; en ik heb ideologische begrenzing van
academische vrijheid – van vrijheid – steeds met grote scepsis gevolgd.
De filosoof Hegel zei ooit dat ideologie een cirkel is die zelf probeert te
sluiten. Terwijl ongebreidelde nieuwsgierigheid zoekt naar openheid.
Er is een lange traditie van vrijdenkers die deze spanning aan den lijve
hebben ondervonden: van Socrates die om zijn kritische geest de
gifbeker moest drinken, Aristoteles die uit Athene werd verbannen,
Hypatia – dat zij vrouw was, versterkte misschien nog wel de jaloezie –
die met scherven in stukken werd gesneden en Spinoza die uit de
Amsterdamse synagoge werd verbannen. En Bruno, Comenius en
Descartes.
Tegenwoordig beschouwen we dit als middeleeuwse praktijken. Wij
leven sinds de Verlichting immers in een samenleving – in een
rechtsstaat – met afdwingbare garanties voor onze vrijheden. Zoals de
vrijheid van meningsuiting – juist ook van onwelgevallige meningen –
en het recht op onderwijs. Het beginsel van academische vrijheid is in
sommige landen zelfs in de grondwet opgenomen, niet toevallig in het
naoorlogse Duitsland. Om vrijdenkers te beschermen tegen macht, die
kwaadwillend wordt. Tegen ideologie, die geen openheid verdraagt.
Maar de rechtsstaat staat onder druk. De Rule of Law Index (van het
World Justice Project) analyseert dat in 2025 het rechtsstatelijk gehalte in
68% van de landen is gedaald (en in de meeste gevallen: verder is
gedaald). Autoritaire elementen nemen toe, waarborgen tegen
overheidsmacht nemen af, rechterlijke onafhankelijkheid wordt
aangetast en fundamentele vrijheden, waaronder academische vrijheid
en vrijheid van meningsuiting, kunnen rekenen op meer restricties.
Ook in Nederland staat de rechtsstaat onder druk. Nederlands zakte op
de Rule of Law Index in zeven jaar tijd van een vaste 5e plek naar plaats 9.
We weten uit onderzoek dat autoritaire tendensen ook hier toenemen.
Een vast ingrediënt van deze tendensen is dat er bepaald verwachtingen
zijn van de rechtspraak en de academie: deze hebben zich te plooien
naar ‘goede’ of ‘kwade’ politieke bedoelingen. En moeten vooral niet te
onafhankelijk of te ‘neutraal’ zijn.
In Nederland zijn we gewend geraakt aan mooi weer. Aan politici die
staan vóór onze vrijheidsinstituties: de minister van justitie die staat
vóór de rechtspraak, de minister van onderwijs die staat vóór de
academie. Maar niet aan anti-institutionele politici die hun macht
gebruiken om de rechtspraak naar hun hand te zetten. Of om meer
inhoudelijke sturing te geven aan de academie (of deze simpelweg
financieel te korten). Uit Polen, Hongarije en recent de Verenigde Staten
weten we inmiddels hoe hard het kan gaan met de rechtsstaat, wanneer
politici aan de macht komen die in onze vrijheden een bedreiging zien.
Een paar maanden geleden sprak ik op een congres met Waldemar
Żurek, de huidige Poolse minister van justitie. Zurek is oud-rechter, en
was als rechter actief in het organiseren van de rechtersprotesten tegen
de voormalige regering van de Poolse partij van Recht en
Rechtvaardigheid (PiS). Een regering die actief de onafhankelijkheid van
de rechtspraak probeerde te ondermijnen.
Het kwam hem duur te staan: Żurek kreeg de ene na de andere
tuchtprocedure aan zijn broek (een beproefd middel om rechters in het
gareel te houden). Op één moment liepen er 20 procedures tegelijk tegen
hem (68 in totaal). Doel van deze procedures was om hem te
muilkorven; monddood te maken: alle tijd – vooral reistijd – die hij
nodig had om op verschillende plaatsen in Polen te moeten verschijnen
in deze tuchtprocedures kon hij immers niet besteden aan rechtszaken.
Hij kreeg tijdens het congres de vraag: wat is nu de essentie van de
rechtsstaat? Want ook onder de PiS-regering werden er gewoon rechters
benoemd. En kun je nu in de Verenigde Staten wel of niet zeggen dat de
rechtsstaat onder druk staat? Waar ligt precies dat omslagpunt?
Zijn antwoord was simpel en treffend: de rechtsstaat is als zuurstof. Je
ziet de rechtsstaat niet, als die er is. Maar je begint te stikken als deze er
niet is.
Zo is het ook met academische vrijheid. Die zie je niet als die er is. En het
kan heel verleidelijk zijn om daaraan allerlei goedbedoelde beperkingen
op te leggen: bestuurlijk (het moet toch mooi passen in
onderzoeksprogramma’s), commercieel (bij extern gefinancierd
onderzoek is het toch logisch dat de opdrachtgever iets mag vinden) of
ideologisch (sommige onderzoeksprojecten, conclusies, standpunten of
perspectieven zijn misschien wenselijker dan andere; of gewoonweg niet
zo handig voor je academische carrièrekansen). En dan heb ik nog niet
eens over kwaad bedoelde beperkingen.
Wie bewaakt eigenlijk de zuurstof die nodig is voor ongebreidelde
nieuwsgierigheid?
Dat brengt mij terug bij Comenius. “De aangeboren liefde voor vrijheid
is onaantastbaar,” schreef hij: vernieuwing en innovatie hebben veel
zuurstof nodig, ook waar dat op het eerste gezicht misschien niet nodig
lijkt. Neem Comenius’ baanbrekende pedagogiek. Deze is wereldwijd
vermaard. Maar ik ben ervan overtuigd dat deze niet had kunnen
bestaan zonder een ongebreidelde, vrije geest, die zich óók bezighield
met wat niet alleen wij, maar ook de universiteiten toen, speculatieve en
esoterische vaagheden zouden noemen. Juist dáár verlegde hij zijn
grenzen en vond hij originele verbindingen.
Zo is bekend dat hij kritisch was op het methodische rationalisme van
Descartes. Hij vond dat een te magere basis voor pedagogische kennis.
Er was toch ook iets als liefdevolle toewijding? Hij stelde liever deze
notie centraal in zijn pedagogische benadering. Hij moest ook niets
hebben van louter rationele aansturing: “Laten alle dingen zichzelf
ontplooien en laat dwang afwezig zijn,” vond hij. Liever dan de kille
wetenschappelijke, Cartesiaanse, benadering koos hij dus voor zijn
vagere, speculatieve pansofische insteek: steeds vanuit het geheel denken,
maar met liefdevolle aandacht voor het kleine. Het zou de pedagogiek
blijvend veranderen.
Waar vinden we vandaag de zuurstof voor onze vrijheid? Zeker nu de
rechtstaat onder druk staat en wij van mooi weer naar slechter weer
lijken te gaan. Stel nu, dat het van dag nacht wordt?
Ik ben in zekere zin optimistisch gestemd. Want juist onder druk
bewijzen vrijheidsgaranties hun waarde.
Hoe dan ook zou mijn onderzoek, als hoogleraar rechtspleging, bij mooi
weer niet interessant moeten zijn voor de media. Mijn vakgebied hoort
immers een saai vakgebied te zijn – vol beginselmatige
vanzelfsprekendheden.
Toen we bijvoorbeeld in 2023 met tien staatsrechtgeleerden de
waarborgen van onze rechtsstaat tegen politieke druk onderzochten,
zagen we dat ook als een wetenschappelijke routineklus. Het was hier
nog mooi weer, maar het schemerde in Polen en Hongarije. Bij wijze van
academische exercitie leek het ons nuttig en interessant om te kijken hoe
onze rechtsstaat zou reageren op autoritaire strategieën: politici die aan
de begrotingsknoppen zouden draaien van de rechtspraak,
tuchtprocedures zouden inzetten tegen onwelgevallige rechters, zich
tegen de benoemingen van gerechtsbestuurders of zelfs individuele
rechters aan zouden bemoeien, procedures tégen de overheid financieel
zouden ‘ontmoedigen’ of zelfs rechters via de media onder zouden vuur
nemen.
Terwijl wij ons in het begin alleen plichtmatig afvroegen of het de
moeite was om dit onderzoek te ‘valoriseren’, was dit anders in oktober
2024, toen we het onderzoek af hadden. De PVV had toen net forse
bezuinigingen op de academie aangekondigd. Onze conclusies, die ons
niet verrasten maar waarvan we toch schrokken, logen er niet om: onze
rechtsstaat is zodanig ingericht op mooi weer, dat er nauwelijks harde
waarborgen zijn tegen kwaadwillende politici. We vonden dat dit
probleem breder onder de aandacht moest komen. Veelzeggend is dat
het toen geen enkele moeite kostte om mediabelangstelling te krijgen
voor dit normaal gesproken saaie constitutionele onderzoek.
En niet voor niets. De rechtsstaat is er niet voor de dag (waar
vriendschap is, is geen recht nodig, zegt Aristoteles), maar voor de
nacht. Voor de situatie waarin wij elkaar niet meer kunnen verdragen.
Waar hetzes ontstaan, bijvoorbeeld tegen minderheden. Dan worden
nachtblinde waarden als gelijkheid en neutraliteit ineens belangrijk. Iets
soortgelijks geldt voor academische vrijheid: bij dag is het prachtig om
na te denken waar je als wetenschapper wel of niet mee geassocieerd wil
worden en welke thema’s goed zouden scoren op valorisatie. Maar bij
nacht moet je er niet aan denken dat academici om hun stellingen
worden gemuilkorfd – of dat nu gebeurt via censuur, bedreigingen of,
lichter maar niet minder effectief, het in rook zien opgaan van hun
wetenschappelijke carrière.
De brede aandacht die er nu is voor de rechtsstaat en voor academische
vrijheid, ook bij de jury van de Comeniusprijs, stemt mij hoopvol. Het
laat zien dat onze vrijheden gewild zijn.
Ik kom daarmee tot mijn dankwoord. Allereerst aan de leden van de
jury. Als een stichting met mij contact zoekt, dan hebben zij doorgaans
een integriteitprobleem waarbij zij ondersteuning wensen. Dus toen
Geert ten Dam een belafspraak inplande, las ik van tevoren de
jaarverslagen en bekeek ik de bestuurswissels, om helemaal verrast te
worden met deze eervolle prijs.
Een prijs die ik deel met al mijn mede-saaie wetenschappers die – ook bij
mooi weer – bleven schrijven over het belang van constitutionele
waarborgen voor de rechtsstaat en het belang van academische vrijheid.
En die ik deel met praktijkjuristen, rechters en advocaten, die zich voor
maar vooral ook achter de schermen inzetten voor de rechtsstaat. Ik
dank De Brauw, het advocatenkantoor waaraan ik in deeltijd verbonden
ben. Aandacht voor de rechtsstaat heb ik daar altijd als iets
vanzelfsprekends ervaren. Toen zich de eerste tekenen van politieke
tegenwind aandienden, gold dat ook voor de ruimte om mij voor de
rechtsstaat in te zetten.
Ik ben ook geraakt door het vertrouwen dat de jury met deze
onderscheiding uitspreekt. En in het bijzonder door de inzet te
benoemen voor het brengen van nuance in verharde, gepolariseerde
debatten
Het lijkt soms verstandig om hier veilig buiten te blijven, maar een
aantal jaren geleden – toen de ideologische gemoederen ook verhit
waren – vroeg ik het mij af. Als ik niet over de omgang met zwaar
gepolariseerde vraagstukken wil schrijven – vanuit mijn verschillende
studies en posities – in hoeverre mag ik het dan van anderen
verwachten? Van jonge academici die nog geen vaste positie hebben? En
brengt niet juist de combinatie van studies en posities, die het mogelijk
maken om meerdere perspectieven te verbinden, een
verantwoordelijkheid met zich?
Nu, het is bepaald niet altijd een dankbare of plezierige taak om in tijden
van steeds fellere polarisatie op te komen voor nuance. Iedereen weet
inmiddels hoe hard polarisatie kan zijn, zeker op universiteiten. Maar in
deze hardheid ligt ook de noodzaak besloten om zich te blijven
inspannen voor de gedeelde ruimte. Tegen die achtergrond ben ik,
nogmaals, geraakt dat de jury dit juist heeft benoemd. Ook deze prijs
geeft zuurstof.
Zuurstof om voor het behoud van vrijheidswaarden te vechten en om –
in de geest van Comenius – in positieve zin te zoeken naar
verbindingen. Het bouwen van bruggen tussen de bubbels, tussen
theorie en praktijk, tussen wat we weten en wat sommigen ten diepste
geloven, tussen politiek en wetenschap, tussen publiek en privaat,
tussen activisten vóór en activisten tegen. Om gedeelde plaatsen te
creëren en te beschermen.
Tot slot. “De aangeboren liefde voor vrijheid is onaantastbaar” – deze
woorden van Comenius klinken als een soort appél. Soms vraag ik mij
af, in hoeverre wij – ik – bereid zijn om deze onaantastbare liefde voor
vrijheid te beschermen. Ik beschouw deze prijs als een blijvende
opdracht daartoe, en als een herinnering. Een herinnering aan de
onaantastbaarheid, die spreekt uit de vlammende ogen van Giordano
Bruno.

Geef een reactie

+ 31 = 35
Powered by MathCaptcha

Translate »