Judith Porcelijn

Ik loop door de gang van een middelbare school in het midden van het land. Uit één van de lokalen klinkt gejoel en gelach. Ik kijk door het raam en zie een leraar bij wie het huilen nader staat dan het lachen. 

Tassen liggen op tafel, jassen hangen aan de stoelen. Ik zie geen enkel open boek, laat staan een pen. Het digibord staat uit. Veel leerlingen zitten omgedraaid en praten luidruchtig met elkaar. Een enkeling swipet op zijn telefoon. 

De orde is ver te zoeken.

Ik kom niet voor deze man. Ik kom voor een lesbezoek aan zijn buurvouw Mary, die al vóór de vakantie mijn hulp heeft ingeroepen. ‘Ik heb er enorm veel zin in en ik wil het schooljaar goed beginnen. Ik heb geen zin in ordeproblemen.’

In de zomervakantie hebben we samen haar lessen voorbereid. Niet inhoudelijk; Mary weet al wat al haar leerlingen aan het eind van het jaar moeten kunnen en weten. We hebben het wel uitgebreid gehad over de basisvaardigheden die een zij-instromer moet hebben om een klas goed te kunnen managen:

  1. Een relatie opbouwen met je leerlingen
  2. De structuur van je les
  3. Regels en routines

Op papier heeft deze school het allemaal goed geregeld. Er zijn duidelijke regels omtrent petten, telefoons, verzuim en te laat komen. Er zijn BOS-sers (Begeleiders Op School), betrokken teamleiders en er is een rector die regelmatig door de gang loopt.

Ik stap het lokaal in van Mary. De meeste bruggers zitten rechtop en kijken naar het bord. Mary laat een filmpje zien van Mevr. Vink: Een zin ontleden in zeven stappen. Twee leerlingen kijken verstoord opzij als ik de deur zachtjes dichtdoe. Het meisje wil haar mond opendoen, maar Mary grijpt snel in door haar vinger voor haar lippen te houden. Straks, gebaart ze. Het meisje knikt en richt haar ogen weer op het filmpje.

Mary geeft een prima les, volgens de structuur die we hebben voorbereid. Er zijn weinig verstoringen. Het gaat alleen een beetje mis op het eind; als de bel gaat moet ze het huiswerk nog toelichten. Het kost haar moeite om de leerlingen terug op hun plek te zetten. Ze herhaalt haar instructie nog een keer. ‘Fijn dat jullie weer zijn gaan zitten. Jullie mogen gaan als ik bij de deur sta. Ik wil netjes afscheid kunnen nemen.’ Een paar leerlingen zuchten demonstratief, maar uiteindelijk verlaat iedereen rustig het lokaal.  

We halen koffie en zoeken een rustige plek. Ik vraag Mary hoe het met haar gaat. ‘Het gaat goed. Bij sommige klassen moet ik nog vaak politieagent spelen, maar in de meeste klassen gaat het best goed. De klas waar je net bij zat is echt heel leuk. Die willen graag leren.’

Ik geef een compliment voor haar les en haar wijze van corrigeren; non-verbaal en niet-verstorend. Mary vertelt dat ze vooral last heeft van het kabaal uit de klas naast haar. ‘Ik begrijp niet dat Johan geen hulp krijgt. Er heeft nog niemand bij zijn les gekeken. Ook de BOS-ser niet. Wat vind jij, moet ik er iets van zeggen?’

‘Je zou eens bij hem langs kunnen gaan, na de les. Vragen hoe het met hem gaat. Je kunt voorstellen dat hij hulp vraagt aan een ervaren collega.’

Mary knikt. ‘Eigenlijk heb ik al genoeg aan mijn eigen gedoetje. En ik wil me er niet mee bemoeien. Maar een praatje maken kan natuurlijk altijd.’ Ze zucht. ‘Van de beloofde begeleiding hier is nog niks terecht gekomen, bij mij is ook nog niemand wezen kijken. Ik ben echt blij dat ik jou heb ingeschakeld.’

Ik vind Mary een natuurtalent en dat zeg ik tegen haar. ‘Waarschijnlijk had je het zonder mij ook gered.’ 
Mary lacht. ‘Ja, op de goede dagen heb ik echt spijt dat ik niet eerder in het onderwijs ben gaan werken. Dit past echt bij me.’

Judith Porcelijn is lid van de redactie van KomenskyPost en geeft cursussen en workshops