De kansenongelijkheid in het onderwijs is gestabiliseerd, stelde dagvoorzitter Daverschot tijdens een afgelopen week gehouden conferentie over ongelijke kansen in het onderwijs. De kansenongelijkheid in het onderwijs is  volgens hoogleraar en onderwijsinspecteur Inge de Wolf gegroeid. Hoe dan ook, de kloof in onderwijskansen tussen leerlingen is onaanvaardbaar groot. Het was reden voor Arie Slob om de aftrap voor de middag te geven in de voormalige onderhoudsloods van de NS in Amersfoort.

Monique Volman (hoogleraar en lid van de onderwijsraad) presenteerde de resultaten van het boekje Werk maken van gelijke kansen waarvan zij medeauteur is en dat alle bezoekers gratis ontvingen. Zij gaf een mooi en veelzeggend overzicht van 50 jaar werken aan verbetering van de onderwijskansen. De resultaten bleken niet overtuigend, integendeel.

Het begon met het onderzoek van de socioloog van Heek eind jaren ’60 in het Enschede van de vorige eeuw. Hij werd bekend met zijn publicatie Het verborgen talent: milieu, schoolkeuze en schoolgeschiktheid. De sociaal-geëngageerde Van Heek was een zoon van de bekende gelijknamige textielfabrikant uit Enschede. Van Heek wees als eerste in het naoorlogse Nederland op de grote ongelijkheid in onderwijskansen van kinderen uit arbeidersmilieus.

Taalachterstand of taalverschil

In de jaren ’60-‘70 speelde ook de zogenoemde deprivatie– en differentiatiediscussie. De vraag was: spreken kinderen uit de sociaal armere milieus een taal die minder is in termen van zinsbouw en woordenschat in vergelijking met die van de middenklasse of is er sprake van een ANDER verschil. Linguïsten als Labov (grondlegger van de sociolinguïstiek) zaten meer op de lijn van de differentiatie. De positie van Bernstein (onderwijssocioloog) is nooit helemaal duidelijk, al waren aanhangers van hem vooral in het kamp van de deprivatie te vinden. Overigens blijken beide opvattingen in de praktijk elkaar minder te ontlopen. Bernstein, ooit door taalkundigen verketterd, lijkt in ere hersteld. Het was de tijdgeest die de discussie en de emoties soms hoog deden oplopen, omdat er in de VS ook raciale elementen een rol speelden als het ging om het de negervariant van het standaard Engels. Men spreekt nu ook liever over taalcodes die in de verschillende sociale milieus worden gesproken, waarbij de codes van de thuistaal vaak erg verschilt van de schooltaal. Dat heeft consequenties voor het onderwijs op scholen met veel kansarme leerlingen, ca. 20% van de scholen, daarbinnen is ongeveer de helft laaggeletterd volgens Inge de Wolf. Inmiddels blijkt dat van alle 15 jarigen bijna een kwart van de leerlingen de school laaggeletterd verlaten.

Scholen met een uitdagende populatie

Op de conferentie werd voor scholen met overwegend een populatie met een niet Nederlandse achtergrond een bijna Newspeak-achtige eufemisme geïntroduceerd: ‘scholen met een uitdagende populatie.’ Problemen worden uitdagingen, maar uitdaging of niet, het lerarentekort is op deze scholen het grootst.
Na van Heek kwamen er compensatieprogramma’s in Amsterdam. Siebe Soutendijk en Co van Calcar zetten in de jaren ’70 de Noodadviesdienst op. Het waren charismatische persoonlijkheden waar ik als student/vrijwilliger ook nog mee heb mogen werken in de Kinkerbuurt. Van Calcar overleed in de jaren ’80 na een noodlottig verkeersongeluk in Parijs.
Het belang van taalonderwijs in het bestrijden van de kansenongelijkheid is onomstreden. Maar hoe pak je dat aan? Monique Volman gaf in haar inspirerende lezing aan dat het opnieuw het wiel uitvinden helemaal niet erg is. Blijf roeien desnoods tegen de stroom in.

Inge de Wolf benadrukte dat uit onderzoekt blijkt dat het indelen van leerlingen in niveaugroepen funest is voor het zelfbeeld van leerlingen. Velen van ons kennen nog de klas waar ze in zaten met voorin een groepje van de slimmerds, voorbestemd voor hbs/gymnasium of later havo/vwo. En achteraan ‘de dommerds’ die naar de ambachtsschool mochten.

Maar het kan anders. Zet diverse groepen bij elkaar. Probeer aan te sluiten bij de context waarin deze groep leerlingen leeft. Gebruik de kennis uit hun omgeving. ‘Connect homes with the classroom’, stelt onderzoeken Luis C. Moll (ed.) in zijn Funds of knowledge. Theorizing Practices in Households, Communities ans Classrooms uit 2005. In lokale gemeenschappen is zoveel kennis over bijvoorbeeld broodbakken, auto’s, motoren, mechanica, electrische installaties etc. Gebruik die.

Onderwijs moet daarbij volgens de Wolf voor de leerling onderzoekend, activerend en betekenisvol zijn.

Ook dyslexie- en leesexpert en oud-hoogleraar orthopedagogiek Aryan van der Leij (niet aanwezig op de conferentie) benadrukte op ResearchEd2020 het belang van wat wel ‘diep lezen’ wordt genoemd: het geconcentreerd lezen van langere teksten of boeken, waarbij verbanden worden gelegd, de tekst wordt ingebeeld en er analyse en kritische beschouwing plaatsvindt. Een bijdrage hierover valt binnenkort op KomenskyPost te lezen. Puur leesplezier stimuleren heeft voor deze groep geen zin. Je stimuleert geen fietsplezier of zwemplezier als je niet eerst kunt fietsen of zwemmen.

Uit de presentatie van Sarah Gevers die onderzoek doet naar leerkrachtverwachtingen en adviezen bleek dat de wijze waarop de schooladviezen tot stand komen nog niet goed in kaart is gebracht.

Wat wel en niet werkt

Pedro de Bruijckere kent men als onderwijsmythe-buster en briljante presentator die kennis van zaken combineert met veel Vlaamse humor. Pedro geeft nooit 100% dezelfde lezing en ook in deze presentatie had besteedde hij aandacht aan mythes en wat wel en niet werkt bij het bevorderen van onderwijskansen. Een aanwezige lerares/schoolbestuurder verzuchtte, toen het over onderwijsonderzoek ging, wat moet ik er soms mee? Welk onderzoek kan ik vertrouwen, wat is onzinonderzoek? Pedro beaamde dat dat soms zeker een probleem is.

Pedro adviseert: gebruik je nuchtere verstand, kijk naar de bron en google en als je werkelijk blijft twijfelen, dan kun je altijd nog de bron zelf benaderen. Overigens is het niet zo makkelijk, omdat ook gerespecteerde hoogleraar/onderzoekers, soms aan het zelfde instituut van dezelfde universiteit, elkaar tegenspreken. De Open Universiteit in Maastricht is daar een goed voorbeeld van. De ervaringen van collega’s, je eigen netwerk, vormen vaak het beste referentiekader.
Toch gaf de Bruijckere op basis van een meta-onderzoek (bron: Jens Dietrichson 2017) een aantal praktische tips. Zo blijken incentives, naschoolse programma’s, het inzetten van studentencoaches en –mentoren, psychologische en gedragsinterventies, niet te werken. Maar wat werkt wel? Verandering en aanpassing van de content, coaching en mentoring door geschoolde (leer)krachten, samenwerkend leren, instructie aan kleine groepen, feedback en monitoren van de voortgang en tutoring. In al deze gevallen moet dat wel gebeuren door personen die er voor zijn uitgerust of opgeleid.

Tijdens de conferentie werd ook gewezen op het bestaan van een aantal Onderzoek en Onderwijs werkplaatsen. Leraren, schoolbesturen en onderzoekers gaan daarbij gezamenlijk onder meer aan de slag om geschikte en succesvolle aanpakken (evidence informed) van laaggeletterdheid en kansenongelijkheid te ontwikkelen. Per Werkplaats is € 600.000.- beschikbaar gesteld via het Nationaal Regie-orgaan Onderwijs en de PO-raad.