Gerard Wegman

Schoolreis of werkweek? Ik herinner me een situatie uit mijn tijd als leerkracht in Purmerend. De stad groeide snel en ik werkte op een basisschool in een zich snel ontwikkelende nieuwbouwwijk. Langs het ruim opgezette scholencomplex liep dwars door de wijk een doorgaande weg. Links en rechts waren op makkelijk beloopbare afstand oversteekplaatsen met stoplichten. Toch investeerde de gemeente voor tonnen in de aanleg van een voetgangerstunneltje onder de weg door, zodat de kinderen veilig naar de overkant konden komen. In het drukke Amsterdam uit mijn kinderjaren herinner ik mij niet van zulke risico verlagende aanpassingen. Je moest gewoon “goed uit je doppen kijken” en nadenken voordat je handelde.

Met die opvatting over zelfstandig handelende en lerende kinderen organiseerde ik rond 1980 ook de schoolreizen toen ik de ‘meester van de zesde klas’ was. In die tijd was het gebruikelijk dat we van maandag tot vrijdag met de kinderen op kamp gingen. ‘Kamp’ werd bij mij echt kamperen. Eigen tentjes, fietsen, zelf boodschapjes doen, eten maken op een campinggasje, enzovoort. Uiteraard onder de toeziende ogen van leerkrachten en fantastische ouders. Maar wel op afstand. De kinderen genoten. Ook al werd er wel eens gevallen tijdens het fietsen, woei een tent wel eens los van de haringen, was het uitgedeelde ‘huishoudpotje’ wel eens eerder leeg dan gepland, was het worstje wel eens ietsje  aangebrand, was de tegenwind wel eens te veel tegen. Ondanks zulke tegenslagen genoten de kinderen. Na de kampweek kregen ze allemaal van mij hun ‘survivaldiploma’ waarin onder andere stond dat ze zeker verder gefietst hadden dan hun ouders ooit op éen dag gedaan hadden (Purmerend – Texel), maar waarin ook stond dat ze vaardigheden hadden laten zien als: tent opzetten; aardappels schillen en bakken; boodschappen doen; garnalen pellen; lang opblijven en ’s nachts door het duingebied (waarin ook het ‘duinwolfje’ rondliep) hadden gefietst.

Was ik dan nooit bezorgd? Natuurlijk wel. Maar altijd met mate. Veiligheden als een fietsroute over zoveel mogelijk fietspaden; een volgauto met fietsenrek en verbandtrommel; vooraf een oefendag tentopzetten op het grasveld bij de school; een oefenfietstochtje om te leren fietsen in een groep. Allerlei activiteiten om goed beslagen het grote avontuur aan te gaan.

Twee keer ben ik wel meer dan bezorgd geweest. We waren de derde dag van het kamp van plan een tocht te maken met de garnalenboot over de Waddenzee. Die tocht gaat niet door bij windkracht 6 of hoger. Er werd die dag wel een buitje verwacht, maar niet de bui die wij meemaakten op volle zee. Een niet voorzien slechtweergebiedje overviel ons en we kwamen met de vissersboot met een klas met kinderen in een storm terecht. Begeleiders en bemanning brachten de meeste kinderen snel onder in de kajuit. Ik zelf zat op het voorschip boven de boeg met mijn blik over het dek. Een witte zee van golven, water sloeg over de boorden. Naast mij, stevig door mij vastgeklemd de zoon van een collega. Hij gilde: “Ik wil eraf, ik ga eraf!” Dat het een heel onverstandige actie zou zijn kwam in zijn angst niet in hem op. De schipper stuurde zijn schip zo snel mogelijk naar de luwte van de Waddendijk. Toen we de haven van Oudeschild weer binnenvoeren stonden bezorgde Tesselaars ons bij het havenhoofd op te wachten. Iedereen blij dat dit echt spannende reisje goed was afgelopen. De extra grote zak verse in zeewater gekookte garnalen die we meekregen maakte de verhalen ’s avonds bij het kampvuur alleen maar mooier. Overigens hadden we die middag bij terugkomst bij ons kamp wel eerst weer een aantal tentjes opnieuw moeten opzetten.

En die garnalenboot had me een jaar later het tweede angstige moment bezorgd. Geen storm, maar …. ik was een jongen kwijt. Laat ik hem Rikkie noemen. Rikkie had een ‘probleempje’. Hij bracht zichzelf nogal eens in een conflictsituatie en zijn boosheid was hij dan niet meer zo goed de baas. We zouden die ochtend van ons kamp op camping ‘Loodsmansduin’ naar Oudeschild gaan fietsen. Iedereen werd opgetrommeld, de fietsen werden gepakt en de fietsgroep werd op de vertrekplek geformeerd. Even koppen tellen: er mist er een! Ook bleef er een fiets staan. Die van Rikkie. Onderzoek wees uit dat hij betrokken was geweest bij een ruzietje en met kwaaie kop het duin in was gelopen. Een zoektocht door de begeleiding leverde niks op. De groep werd zenuwachtig en het tijdstip van de afvaart van de boot kwam dichterbij. Ik nam een beslissing waar ik achteraf spijt van heb. Ik ging uit van het principe dat ik mezelf had bijgebracht: Uiteindelijk doen kinderen geen domme dingen en komt alles wel op z’n pootjes terecht. Ik stuurde de groep met begeleiders vast weg en zei dan wel met de opduikende Rikkie na te komen. Na een kwartier nog geen Rikkie gezien. Ik besloot dan maar zonder Rikkie achter de groep aan naar Oudeschild te fietsen en verwachtte dat bij terugkomst die middag Rikkie wel uitgeraasd zou zijn en in zijn tent zou liggen.

Nee dus! Bij terugkomst geen Rikkie en geen fiets van Rikkie. Met de auto werden de weggetjes in de buurt van de camping afgezocht. Niks! Geen spoor van Rikkie. Eind van de middag zat er niets anders op dan maar naar de directeur van mijn school te bellen. Die was uiteraard onaangenaam verrast en droeg mij op de ouders van Rikkie te bellen en daarna de lokale politie. Met toch wel knikkende knieën draaide ik in de telefooncel het nummer van de ouders om hen in ieder geval op de hoogte brengen van de vermissing. “Rikkie? Ja, die ligt hier thuis in z’n bed. Nee, we hebben de school nog niet gebeld….”