Ik zoek graag de grenzen op. Ik zie mezelf als een intellectuele ODD’er, al ben ik daar echt de enige in en heb ik die diagnose er nooit doorheen gekregen. Ergens besloot ik dat ik ervaringsdeskundig zijn maar saai vond en ben ik terminologie gaan gebruiken die regelmatig reacties uitlokt: gepromoveerd probleemjongere.

Je moet me maar op m’n woord geloven dat het begon als een onschuldig grapje onder de categorie zelfspot, anders had ik er wel “provocerend probleemjongere” van gemaakt. Maar die twee woorden zijn meer dan eens de opening voor een gesprek en roepen toch wat vragen op.

Dan kan je natuurlijk een aantal dingen doen: Je kan ieder individu apart uitleggen waarom je een term, zo denigrerend en stigmatiserend als ‘probleemjongere’, gebruikt om jezelf te beschrijven… of je schrijft een blog. En dat tweede stel ik dus al een halfjaar uit.

Eigenlijk reageren mensen maar op twee manieren. “Jij bent geen probleemjongere” of “probleemjongeren bestaan niet.” O, en dan is er nog een derde groep die, ongemakkelijk maar tevens welgemeend, lacht. Die derde groep kunnen we hier vergeten.

Het voelt toch wat onwennig om fel te discussiëren over waarom ik wel een probleemjongere zou zijn. Het is een extreem luxe positie om mensen ervan te moeten overtuigen dat je een probleemjongere bent, terwijl er ook honderden, misschien duizenden zijn die met man en macht proberen te laten zien dat ze dat niet zijn.

Maar toch, ik vind dat ik de titel verdiend heb: In mijn eerste hulpverleningsjaar heb ik de tralies van vijf gesloten instellingen mogen aanschouwen. Gedurende dat uitje kwam ik op acht groepen terecht, leerde ik 135 hulpverleners kennen en kreeg ik vijf diagnoses.

Als mensen mij stellig vertellen dat ik geen probleemjongere ben, vraag ik toch altijd, wat maakt dat ik dat niet zou zijn. Goed, ik ben niet het forensische type. De wet breken ligt me niet (angststoornis), maar desondanks heb ik toch een autoriteitsprobleem, een politie-trauma. Voor alle keren dat ik niet in een politiecel ben geëindigd kwam ik in een isoleercel van de spoedeisende psychiatrie terecht. En als ik niet werd geboeid dan werd ik wel gesedeerd. Ik ben, al zeg ik het zelf, probleemjongere-materiaal.

Maar bij het bestempelen van een probleemjongere kijken we nooit naar waarom iemand een probleemjongere zou zijn, maar vooral waarom iemand het niet zou kunnen zijn. Ben je te sympathiek, te slim, verbaal begaafd of enigszins succesvol? Dan klopt het stigma niet.

Het is een term die we gebruiken omdat het veilig voor ons voelt. Zodra we punten zien die dat beeld ontkrachten, zoals talenten of humor, gebruiken we de term niet meer. Probleemjongeren hebben namelijk geen goede kwaliteiten.

Probleemjongeren zijn niet hetzelfde als jongeren met problemen. Jongeren met problemen zijn organismen van vlees en bloed die moeilijkheden ervaren, maar in eerste instantie nog altijd mens zijn. Probleemjongeren daarentegen zijn gedehumaniseerde wezens die niets meer dan hun problemen zijn en geen enkele positieve eigenschap bezitten.

Het is lastig uit te leggen wat mij een probleemjongere maakt. Ik ben namelijk geen probleemjongere, althans, niet meer of minder dan jongeren die we wèlcollectief beschouwen als probleemjongeren.

Ik sluit me aan bij de tweede groep, die heel correct zegt: Probleemjongeren bestaan niet. Het elimineren van de term, omdat het politiek correct is om te doen, is daarbij niet voldoende. We moeten de inhoud van het woord elimineren. We moeten stoppen met een onderscheid maken tussen jongeren met problemen die we enkel vervelend vinden (“probleemjongeren”) en jongeren met problemen die we wel leuk, sympathiek of slim genoeg vinden om te vermenselijken.

Ik beschrijf mezelf als probleemjongere, omdat er nog steeds jongeren zijn die zo worden gezien. Zo nu en dan denkt een medium dat het oké is om “probleemjongere” in de titel van een artikel te zetten. Gebeurt dat niet, dan floept de buurman de term er wel uit om de jongens aan de overkant van de straat te beschrijven.

Dit zijn jongeren die ook positieve karaktereigenschappen hebben, maar die wij nog weigeren te erkennen. Ik ben zonder twijfel problematisch genoeg om probleemjongere te zijn, maar blijkbaar ergens geciviliseerd genoeg om ook nog mens te mogen zijn.

Ik hoop dat de twijfel, bij mijn benoeming tot “gepromoveerd probleemjongere” afleesbaar van de gezichten, meegenomen wordt in het totaalplaatje. Dat het besef komt dat ieder argument dat mijn probleemjongere-zijn ontkracht, ook toepasbaar is bij jongeren die we nog wel zo beschrijven.

Probleemjongeren zijn jongeren met problemen die niet uit ons gezichtsbeeld van irritatie en frustratie komen. Als we durven kijken naar de mens achter de problemen en positieve eigenschappen erkennen, ook wanneer negativiteit overheerst, zullen we nooit meer spreken van probleemjongeren.

Dus tot dat moment aanbreekt pronkt er op mijn dia’s:

“Jason Bhugwandass, gepromoveerd probleemjongere”.

 

Met vriendelijke groet,

Jason Bhugwandass