Ondanks alle kritiek op Curriculum.nu is de invoering van digitale vaardigheden, waar men computationeel denken heeft ondergebracht,  een noodzakelijke uitbreiding van het curriculum.  Het kind moet niet met het badwater worden weggegooid. Een positief kritische bespreking van informatica-expert Felienne Hermans.

Recent mocht ik bij de commissie digitale geletterdheid mijn feedback komen geven op het conceptvoorstel dat er nu ligt. Voor ik ging opende ik het document met de nodige scepsis. De eerdere conceptvisies (waarop ik al een keer live feedback had mogen geven) hadden me nou niet bepaald overtuigd, hoofdzakelijk omdat ze erg vaag en abstract bleven. Zo werd in geen van de drie versies gesproken over programmeren.

Sterker nog, ze werden steeds vager. De eerste visie had het tenminste nog uitgebreid over ‘computational thinking‘, niet bepaald een concreet begrip, maar in ieder geval een duiding in de richting van wat we dan moeten gaan doen met leerlingen, de derde noemde zelfs dat begrip maar een keer kort en had het vooral over ‘omgaan met’ digitale technologie. Creëren met digitale middelen was geen doel op zich, maar een manier om leerlingen ‘eigenaarschap van hun eigen leerproces’ te geven en een ‘onderzoekende houding’. Zoals zo vaak, programmeren als manier om te leren kritisch/logisch/(vul hier een eigen algemene vaardigheid naar keuze in) in plaats van programmeren om het leren programmeren, en de impact van programmeren op de samenleving inschatten.

Lezer, u begrijpt dat het eerste wat ik deed was mijn digitale geletterdheid gebruiken om snel te ctrl-fen in het document op het woord ‘programmeren’. Erg snel ging dat niet, want dit document bestaat uit maar liefst 80 (!) pagina’s, een heel contrast met de relatief beknopte visies. Maar behalve dat, goed nieuws eigenlijk, maar liefst 12 keer spreekt dit document over programmeren, en het spreekt zich er ook duidelijk over uit: “Daar hoort bij dat leerlingen kennis ontwikkelen van de taal van de computers: zij leren de basisprincipes van programmeren.”  Dat is klare taal, leerlingen moeten leren programmeren. Niks geen “procesmatig (her)formuleren van problemen op een zodanige manier dat het mogelijk wordt om met digitale technologie het probleem op te lossen.” maar gewoon aan de slag met een taal. En in de onderbouw met “programmeren in een tekstuele omgeving”. Je kunt erover debatteren of een visuele taal als Snap! hier ook niet prima geschikt zou zijn, maar een kniesoor die daar op let. Verder is het belangrijk dat dat programmeren in een betekenisvolle context gebeurt en dat er relevante concepten aan bod komen zoals while en if. Helemaal zo slecht nog niet, vergeleken met eerdere opvattingen. Misschien is het toch allemaal niet zo onaardig?

Nog even verder kijken naar het thema van de vakintegratie dan. Naast de opmerking dat het belangrijk is dat programmeren in een rijke vakcontext wordt aangeboden, moet digitale geletterdheid ook een eigen plek krijgen, omdat het anders niet diep en rijk genoeg aangeboden kan worden. Ik begrijp de kritiek die eerder hier geuit werd goed, het is niet makkelijk om dit zo uit te voeren, en er is zeker een risico dat het niet lukt zoals ook bij informatiekunde gebeurde. Maar je zou ook kunnen zeggen: dit uitgangspunt is goed, en we zien de risico’s en gaan ze actief tegen, juist met de kennis van wat er eerder mis ging. De jaren ’90 liggen ver achter ons en veel meer docenten, leerlingen en ouders zijn zelf doordrongen van de noodzaak van digitale geletterdheid. Ik denk dat dit wel eens zou kunnen lukken. Wat daar wel voor nodig is, en dat heb ik ook bij de commissie aangekaart, zijn informaticadocenten die daarvoor openstaan. We hebben het (terecht) vaak over de andere docenten die digitaal geschoold zullen moeten worden en dat is ontegenzeggelijk waar, maar ook wij informaticadocenten (ik reken me toch maar even tot die categorie, ondanks dat ik maar 2 uurtjes per week op het vo werk) moeten leren, kijken bij collega’s waar hun lesstof zich laat automatiseren en bruggen slaan. Voor docenten die toch vaak gewend zijn om alleen een sectie te vormen en zonder centraal examen veel vrijheid hebben in wat ze doceren, zal dat niet altijd natuurlijk komen.

Dan nog wat algemene punten die me opvielen en die best sterk zijn. De onderverdelingen in vier activiteiten: kennis verwerven van, omgaan met, creëren met, en reflecteren op vind ik best een mooie. Het balanceert goed het omgaan met (de ICT basisvaardigheden) zelf kunnen en goed nadenken over de rol van technologie in de maatschappij. Dat ethische perspectief (27 keer genoemd) komt sowieso erg goed naar voren binnen de grote opdrachten (thema’s die in meerdere vakgebieden terugkomen) ‘veiligheid en privacy’ en ‘data en informatie’. Er zijn universitaire opleidingen informatica waar veel minder nadruk ligt op de ethische kant van programmeren, dus dat vind ik goed, om dat al op jonge leeftijd mee te geven aan alle leerlingen.

Is er dan helemaal niks op aan te merken? Nou zo is het ook weer niet. Ik ben het zeker wel eens met het eerdere stuk dat 80 kantjes erg veel zijn en dat het geheel niet zo leesbaar voor leerkrachten. En het zal zeker ook zo zijn (de commissie onderschreef dit ook) dat dit document input is voor methodemakers die hier garen bij gaan spinnen. Natuurlijk geldt dat voor de meeste vakken, maar juist in de digitale geletterdheid waar open source cultuur ervoor zou kunnen zorgen dat er open lesmaterialen worden gemaakt, is dat jammer (die cultuur wordt wel 2 keer genoemd in het document overigens!)

“Aandacht voor diversiteit ontbreekt”

Verder is er weinig focus op diversiteit. In de (27 maal) ethische overwegingen wordt geen aandacht besteed aan specifiek de impact van techniek voor zwakkere groepen, denk aan mensen die laaggeletterd zijn, en het meenemen van alle mensen in de digitale wereld, ook mensen met een beperking. En wat te denken van de issues die het vakgebied op dit moment heeft (met bijvoorbeeld een landelijk gemiddelde van 9% meisjes op informaticaopleidingen). Je kunt je natuurlijk afvragen of dat in een visiedocument hoort, maar met zo weinig representatie zul je actief iets moeten doen vind ik, anders reproduceer je de bestaande situatie. Juist ook omdat dit een document is waarbij methodemakers als doelgroep dienen, want die zullen inclusief lesmateriaal moeten maken om iets aan de situatie te doen.

Tenslotte komt het woord ontdekken maar liefst 13 keer voor, soms in mysterieuze zinnen als ‘leerlingen leren in deze fase ontdekken dat het opdelen van een opdracht in deeltaken hen helpt om een opdracht uit te voeren.’  Moeten nu nou leren ontdekken of leren hoe ze een opdracht opdelen? Los van de gekke formuleringen, de rol van een curriculum is in Nederland vooralsnog om het wat vast te leggen, en niet het hoe. Alhoewel het er niet met zoveel woorden staat, zien we hier toch de geest van het ontdekkend leren door de grondverf heen schijnen. Algemeen bekend ook (op dit medium) is, dat ik niet zo positief sta tegenover het ontdekken. Ik wil niet dat leerlingen ‘ontdekken hoe zij effectief, bewust en verantwoord om kunnen gaan met multimedia’, ik heb liever dat een goede docent ze uitlegt hoe ze dat kunnen doen. Prima als er in Nederland scholen zijn waarbij meer ontdekkend te werk wordt gegaan, daar moeten ze vrij in gelaten worden. Er zou dus in de laatste versie moeten staan dat leerlingen weten hoe zij effectief, bewust en verantwoord om kunnen gaan met multimedia. Dan kan een ieder daar vrij een invulling aan geven, zoals kerndoelen in Nederland bedoeld zijn.

DELFT - Portret van Felienne Hermans tbv AG Connect Magazine.

DELFT – Portret van Felienne Hermans tbv AG Connect Magazine.

Dr.Ir. Felienne Hermans is informaticus en associate professor aan de Universiteit Leiden en hoofd van PERL de groep die onderzoek doet naar programmeren in het onderwijs.