Door Wilfred Rubens

Ik heb regelmatig aandacht besteed aan het monitoren van (leer)gedrag door scholen, en de grenzen die daarbij worden opgezocht en m.i. ook worden overschreden. The Guardian besteedde verleden week uitvoerig aandacht aan de praktijk van ‘digital surveillance’ binnen Amerikaanse scholen. Een typisch voorbeeld van een grensoverschrijdende aanpak, als je het mij vraagt.

Volgens The Guardian gebruiken scholen in de VS in toenemende mate technologie om gedrag van lerenden te monitoren. Denk daarbij aan technologieën waarmee het e-mailverkeer, chatbijdragen en documenten van leerlingen worden gescand op ‘verdachte’ termen. Wat een verdachte term is, bepaalt een school zelf. Deze termen kunnen betrekking hebben op geweld, zelfmoord, cyberpesten, maar ook op seks en drugs. De schoolleiding of een bepaalde functionaris ontvangt notificaties als verdachte termen door de technologie worden gesignaleerd. De school kan dan bijvoorbeeld contact opnemen met de leerling, de ouders/verzorgers of met hulpverleners.

De aanleiding voor het gebruik van deze technologieën vormen de vreselijke schietpartijen op Amerikaanse scholen. In de VS blijkt het terugdringen van wapenbezit politiek gezien geen haalbare kaart. Het monitoren van gedrag is dat wel. Het is zelfs een wettelijke plicht. Amerikaanse federale wetgeving vereist dat openbare scholen in de VS de toegang tot ‘schadelijke’ websites blokkeren en dat ze de online activiteiten van studenten “controleren”. Wat dit “toezicht” precies behelst, is echter nooit duidelijk omschreven. Scholen zijn echter bang vervolgd te worden bij incidenten als men de privacy van leerlingen laat prevaleren boven monitoring die de veiligheid moet borgen.

The Guardian gaat in deze bijdrage in op veronderstelde voor- en nadelen van ‘digital surveillance’.

Voordelen

  • Studenten hoeven elkaar niet te verraden.
  • Je bent zaken als cyberpesten snel op het spoor.
  • Er is weinig verzet tegen deze manier van monitoren.
  • Er is anekdotisch bewijs dat deze vormen van monitoring onheil -met name zelfmoord onder jongeren- hebben weten te voorkomen. Dit anekdotisch bewijs is grotendeels afkomstig van bedrijven die deze technologie ontwikkelen en verkopen. Een voorbeeld is een school in Florence, South Carolina, waar de schoolleiding binnen minuten kon ingrijpen nadat een scholier in een essay in Google Docs schreef over zijn gedachten aan zelfmoord.
  • Jongeren wennen alvast aan het functioneren in een maatschappij waarin ‘digital surveillance’ de gewoonste zaak van de wereld is.

Nadelen

  • Je monitort maar een deel van het online gedrag van leerlingen. Alleen het gedrag dat binnen systemen van de school wordt vastgelegd, wordt gemonitord. Er zijn echter ook technologiebedrijven die bezig zijn met toepassingen die scholen ook in staat stellen om ander internetgebruik van lerenden te monitoren, bijvoorbeeld via sociale media of zoekmachines.
  • Ouders en lerenden zijn zich vaak niet echt bewust van het vergaand monitoren.
  • Het monitoren en vervolgens interveniëren vormen niet de oplossing voor de problemen. Deze problemen moet je op een andere manier zien te voorkomen.
  • Er is geen onafhankelijk onderzoek beschikbaar dat aantoont dat ‘digital surveillance’ ook daadwerkelijk leidt tot minder cyberpesten, drugsgebruik, zelfmoord, schietpartijen, en dergelijke.
  • De technologieën bevatten bias en kunnen bijvoorbeeld humor in berichten niet goed interpreteren. Mede hierdoor leidt deze vergaande vorm van monitoring tot veel valse meldingen. De veelheid aan (grotendeels valse) alarmeringen leiden tot veel werk voor de school. Een schooldistrict in Michigan kreeg in één week tijd zo’n 3000 notificaties. De meeste waarschuwingen waren “minor violations”.
  • Deskundigen op het gebied van privacy zeggen dat vergaande controle van leerlingen, schadelijk kan zijn voor deze jongeren. En met name schadelijk voor leerlingen die behoren tot minderheidsgroepen. Dat komt ook doordat de gebruikte technologie nogal wat ‘bias’ bevat, en gedrag van Afro-Amerikaanse leerlingen daarom eerder als ‘verdacht’ aanmerkt. LGBTQ-leerlingen worden bijvoorbeeld gemonitord terwijl zij op zoek zijn naar informatie over LGBTQ, terwijl hun ouders nog niet weten van hun geaardheid.

Ik ben niet tegen het monitoren van bepaald online gedrag van lerenden (gedrag dat wat zegt over de effectiviteit van leren en de kwaliteit van het onderwijs). De informatie vormt dan inbreng voor begeleiding en evaluatie (ook van het onderwijs).

De in The Guardian beschreven vorm van ‘digital surveillance’ slaat echter volkomen door. Je richt hiermee vooral pedagogische schade aan. Het middel rechtvaardigt het doel niet. Er zijn andere manieren om aan een veilige school te werken.

Wilfred Rubens is onafhankelijk onderwijsadviseur. Dit blog verscheen eerder op zijn website https://www.te-learning.nl/  .

Photo by Liesbeth Wattimury Fotografie (www.liesbethwattimury.nl)