Jan Lepeltak

Mijn favoriete link in het uitgebreide overzicht van Kees Vernooy naar aanleiding van de Coronacrisis is die met nationale buitenlandse voorbeelden.


Veel is te vinden op de site van de NCCE, het National Center for Education and the Economy, een Amerikaanse organisatie in Washington DC. Daar vindt men een overzicht van afstandsonderwijs-initiatieven in verschillende landen. Zonder meteen in details te treden zijn er twee zaken die opvallen.

Ten eerste kun je vaststellen dat in veel landen er wel een of andere vorm van centrale regie richting de scholen is als het gaat om onderwijs op afstand. Dat uit zich onder meer in het geven van adviezen en richtlijnen. Vaak beschikt men ook over een leeromgeving met content, een platform dat alle betrokkenen bij het publieke onderwijs kunnen gebruiken.

De tweede zaak die opvalt is dat de meeste docenten door de crisis, als het om onderwijs op afstand gaat, in het diepe zijn geworpen. Internationaal gezien vindt meer dan de helft van de leerkrachten dat men niet is voorbereid op het grootschalig inzetten van ICT in het eigen onderwijs. Deze gegevens komen uit een OECD 2018 onderzoek getiteld Teaching and Learning International Survey (TALIS).

  
Opmerkelijk is dat in landen die het bepaald niet slecht doen, zoals Finland, slechts 21% van de leraren zich capabel voelde om ICT in de eigen onderwijssituatie te gebruiken. Alleen Shanghai (63%) en Singapore (60%) komen boven de 50% uit. Het OECD-gemiddelde ligt op 43%. Bij een land als Estland, geheel van fiber voorzien en waarin toegang tot internet als een wettelijk grondrecht wordt gezien, ligt op dit 30%. 


Uit recent onderzoek van de AVS (Algemene Vereniging van Schoolleiders) zou blijken dat 93% van de scholen afstandsonderwijs heeft gerealiseerd en 88 % tevreden is. De resultaten van dit onderzoek zijn wel erg spectaculair te noemen en het onderzoek heeft waarschijnlijk alleen onder schooldirecties plaatsgevonden. De kneep zit hem natuurlijk in wat men verstaat onder ‘heeft gerealiseerd’. 

Wanneer we kijken bij de landen in de NCCE-lijst die op onderwijsgebied een goede reputatie hebben, valt op, dat er veel praktische tips en ook aanwijzingen worden gegeven die moeten voorkomen dat zowel leerlingen als docenten overbelast raken. Ook wat betreft de rol van de ouders wordt nadrukkelijk gesteld dat die weliswaar mogen helpen, maar zeker niet de rol van de leerkracht moeten overnemen.

Finland. In Finland heeft het ministerie van onderwijs voor de openbare scholen een richtlijn uitgevaardigd waarin staat dat, indien blijkt dat leerlingen de lessen op afstand blijken te missen door spijbelen of andere oorzaken, de schoolleiding dit aan de ouders moet melden. Zo’n 3000 kinderen met een migratie-achtergrond, die geen Fins of Zweeds spreken, krijgen les in aparte taalklasjes. Dit worden waar mogelijk ook online voortgezet. Lukt het de school in het geheel niet om met ouders en kinderen in contact te komen, dan moet jeugdzorg worden ingeschakeld.

Singapore. Van Singapore weten we dat de leerkrachten veel meer tijd hebben om lessen voor te bereiden dan in Nederland. Een volledige baan kent wekelijks ca. 15 les- en/of contacturen.  Singapore (dat vooral berucht was om zijn testcultuur op jonge leeftijd, maar dat is aan het veranderen) kent sinds enkele jaren een eigen onderwijsleeromgeving en -platform voor leerlingen en leerkrachten. Met het SLS (Singapore Student Learning Space) is men niet afhankelijk van allerlei (commerciële) initiatieven. Het is fijn dat Google of Cisco nu gratis voor het onderwijs in Nederland devices ter beschikking stellen, maar liever hadden wij onze eigen omgeving los van educatieve uitgevers.

Canada. In Canada is het onderwijs per provincie geregeld. Ontario kent in Toronto het gerenommeerde OISE (Ontario Institute for Studies in Education). De scholen zijn er tot de zomervakantie gesloten. Het ministerie van onderwijs geeft richtlijnen betreffende het aantal uren dat leerlingen dagelijks met opdrachten voor onderwijs op afstand bezig zijn. Leerlingen van groep 1-3 krijgen maximaal 5 uur werk per week op. De focus moet liggen op geletterdheid (lezen en schrijven) en rekenen. Voor leerlingen van groep 4-6 geldt ook 5 uur per week. Daar is de focus wat breder en zijn naast geletterdheid en rekenen ook de sociale vakken en science toegevoegd.

Voor de leerlingen van groep 7-8 gelden dezelfde vakken, alleen is het aantal uren verhoogd naar 10 uur per week. Er wordt gewerkt aan een alomvattend plan voor het onderwijs op afstand.

Voor wat bij ons de onderbouw van het VO is geldt een maximum van 3 uur per vak per week.

Over het aantal uren kan men van mening verschillen, maar het geven van concrete richtlijnen verhindert dat leerkrachten (en leerlingen) zich compleet over de kop werken. De richtlijnen en adviezen van het ministerie worden in 17 talen weergegeven.

Tot slot Italië en Frankrijk. Deze landen tref je niet aan in het NCC-overzicht. 

Van Italië is bekend dat men een instelling kent die zich special bezighoudt met ICT in het onderwijs. Elke school kent een officiële functionaris, doorgaans een leraar die als “Animatore digitali” uren heeft om digitale processen en vernieuwingen te stimuleren en te begeleiden. Naast informatica en robotica en ‘didattica digitale’ kent men ook ‘Dittactica a distanza’. TS la technica della scuola heeft een site met een dagelijks online magazine Il quotidiano della scuola.  Het Italiaanse ministerie van Onderwijs geeft met een wetsbesluit van 6 april aan dat, indien in september de scholen nog niet open gaan, de invoering van een alternatief systeem wordt voorbereid dat niet beperkt kan blijven tot het nabootsen van lessen in de klas.

Frankrijk kent het CNED, het Centre National de Education de Distance. Een direct onder het ministerie van onderwijs vallende instelling. In het onderdeel Ma classe a la maison treft men uitgewerkte leerlijnen die leerlingen voor alle vakken thuis kunnen volgen. Men dient wel eerst een account te maken en zich in te schrijven.

Jan Lepeltak