Johan De Wilde

Avontuurlijk en opwindend verbinden met school- of studiereizen is niet simpel, tenzij jullie je afvragen wat deze Belg zou opgestoken hebben van zijn school- en studiereizen naar Nederland. Ik ben zelfs twee keer naar dezelfde stad geweest, de eerste keer als tiener en een tweede keer als lerarenopleider mee met mijn studenten. 

Waarom kropen Belgische leerlingen in de jaren 80 van de vorige eeuw op een bus voor een dag Rotterdam? Ik vroeg het me ook af. Om te zien hoe groot containerschepen en sluizen zijn konden we net zo goed met de fiets naar de haven van Antwerpen. Daar waren we trouwens enkele jaren eerder ook al geweest. Nee, leerlingen kiezen er niet voor. Dat doen hun leraren aardrijkskunde. 

Mijn eerste was een kolos van 120 kilo waar geen grammetje liefde voor zijn vak meer aan hing en die erin slaagde in elke examenopgave minstens een coördinaat verkeerd over te schrijven. De tweede had het nadeel na de eerste te komen, maar miste de fysieke présence om ons schrik aan te jagen. Dat was vervelend voor hem in de klas en een ronduit desastreuze beginsituatie voor een lange schooluitstap. 

Gedreven als hij was had hij voor elk van ons een dikke excursiebundel gemaakt. Zoals dat de gewoonte was, had hij de ratten massa’s woorden laten wegvreten die wij met balpen weer mochten aanvullen. We waren nog geen kwartier ver en hadden al een paar vellen moeten verrijken met termen als intensieve veeteelt, lintbebouwing en ruimtelijke ordening. Hadden. Moeten. In de praktijk luisterden enkel twee griffiers vooraan in de bus naar zijn uitleg in de micro. De rest luisterde naar muziekcassettes op walkmans, de minder gesofisticeerde voorloper van de ipod en de mp3. 

Zo belandden we in de haven van Rotterdam. Petrochemie, containeroverslag en terminal, het zouden de volgende parels voor de zwijnen van de eerste rij zijn geweest, als hij het niet eindelijk door had. Hij had zowaar een vraag gesteld en veel opgestoken armen in de lucht verwacht en er maar enkele gezien. Of het nu ‘Wie heeft er allemaal zin in een frisse pint straks?’ of ‘Wie is er al ooit in een wereldhaven geweest?’ weet ik niet, maar dat hij kwaad werd wel. Toen ik een tik van mijn buur kreeg en de ogen opende was hij al opgestaan vanuit zijn zetel naast de chauffeur en keek hij door het gangpad naar achter. 

‘Zoveel aandacht’, riep hij. We hadden onze koptelefoons afgezet en lieten zijn woorden overwaaien. 

De stilte die hij strategisch liet vallen had enig retorisch effect. Het onderdrukte onze lach. Voor even toch, want toen hoorden we allemaal de laatste onbezorgde medestudenten roepen: ‘He, naar wat zij de gij aan het luisteren?’ ‘Sisters of mercy. En gij?’ We noteerden het niet op de puntjes maar legden onze vrienden in gebarentaal en met stampen onder hun zetels het zwijgen op. Dat volstond blijkbaar voor onze gids, want hij ging terug zitten en begon in de micro over een moeilijke toets, waarna we het eerst die dag tot achteraan de bus de gure wind hoorden. 

Een half uur later hielden we halt bij een café met biljart. Er waren nog zekerheden in het leven. Studiereis, biljart en sigarettenrook in het hol van Pluto. Je zou haast gaan denken dat die leraren aardrijkskunde een aparte editie hadden van onze schoolatlas, een met een extra kaart met alle louche tenten met biljart en busparking op.

Om het goed te maken hebben we gesupporterd voor onze leraar aardrijkskunde in zijn wedstrijd tegen de buschauffeur. Hoewel hij duidelijk minder café-ervaring had dan zijn grote voorbeeld bij ons op school, raakte hij minstens een keer de ballen zoals het hoort, waarop we hem beloonden met een staande ovatie.  

De Sisters of mercy en de biljartcarambole werkten, want in de namiddag raakte hij op dreef en stonden wij voor hem open. Zo herinner ik me de kubuswoningen op de stadswandeling, een woord dat we niet moesten noteren maar dat toch beklijfde. Op het einde hield hij dertig walking men staande. Moedig of hoogmoedig tartte hij het lot door een tweede vraag te stellen. ‘Hoeveel gebouwen van 100 jaar of meer hebben jullie tijdens deze wandeling gezien?’ We zwegen. We dachten zelfs na en konden er ons geen enkel meer voor de geest halen. ‘Deze stad werd nagenoeg volledig platgebombardeerd tijdens WO II. Ze is helemaal heropgebouwd.’

Een woord van dank zal hij van ons bij thuiskomst niet gekregen hebben. Die klasse had ik in elk geval niet. Maar Rotterdam had ons geraakt en een injectie historisch besef gegeven nog voor Georges Grün De Rode Duivels in De Kuip naar het WK in Mexico zou koppen. 

Stel je oordeel uit

Het Rotterdam dat ik terugvond met mijn studenten was fraaier en dynamischer. De dobbelsteenhuisjes stonden er nog steeds. Zelfs de haven lag er nog. Maar die laatste lieten we links liggen. In plaats daarvan bezochten we kleuterklassen en bekeken we de kinderprogrammatie van een museum naar keuze. Een keer nam ik aan deze jaarlijkse traditie deel. Genoeg om te weten dat het programma dat mijn collega’s Roos Steeman en Dorien Van Rentergem met hun Rotterdams contacten ineensteken top is en zondermeer een ijkpunt in de driejarige opleiding van onze studenten. Ooit zal ik nog wel eens de rol van compagnon de route opnemen, maar wat ik sindsdien wel ben blijven doen is de reizigers op maandagavond uitwuiven en hen op vrijdagnamiddag -na een nacht bijslapen- terug opvangen op de campus.

Op maandag druk ik hen op het hart waarom we de studiereis organiseren. Dat doen we niet om hen jullie onderwijssysteem te laten leren kennen. We doen het wel om hen hun eigen visie op goed kleuteronderwijs te laten aanscherpen. Met enkele persoonlijke leerervaringen illustreer ik dat en kom ik tot mijn tweede en laatste punt: echt leren op reis kan je maar als je je oordeel uitstelt. Wat afwijkt van wat je op de hogeschool leert en in je stagescholen ziet is niet per definitie fout. Hoe graag we het heimelijk ook zouden willen, wij zijn de norm niet. Merk je iets op dat je verrast, check dan of je het goed gezien of gehoord hebt. Vraag door. Wat is dat juist? Wat wilt u dat dat kind doet? Waarom doet u dat? En hoor je hier en nu iets dat je verrast, vraag er dan nog eens naar op een andere school. Handelen of denken ze daar analoog? Spreek er nadien ook eens over met medestudenten of docenten. Wat is hen opgevallen? 

Jaar na jaar merk ik dat een staatsgrens zonder taalgrens een zegen is voor de reflectie. Eerst sneuvelen de vanzelfsprekendheden. Een kleuterklas hoeft niet week na week volgestouwd te worden met thematisch materiaal. Kinderen kunnen best een tijd individueel werk aan. Het kan en mag rustig zijn in kleuterklassen. Voor de verleiding bij de studenten te sterk wordt om het ene vanzelfsprekende ideaal te vervangen door het andere, probeer ik hen naar andere vragen te krijgen. Wat vinden ze belangrijk in kleuteronderwijs? Is daar op reis iets aan veranderd? Wat zou je op je volgende stage anders willen aanpakken? Wat houd je tegen? 

Zo wordt de reflectie ook scherp voor de opleiding. Wat zijn onze onuitgesproken kwaliteitscriteria en hoe gaan wij daarmee om? Hoe gaan we om met verwachtingen van stagescholen? Welke vrijheid geven we studenten echt? Hen socialisering en micropolitiek laten herkennen aan deze en gene zijde van alle mogelijke grenzen is een ding, hen erin begeleiden nog iets anders.

Ik herhaal, ook ik ben de norm niet. Wat goed onderwijs is en wat goed leraren opleiden is, ik weet het nog steeds niet. Ik blijf zoeken… en raak nog wel eens een derde keer op leerreis in Rotterdam. De Toren van Babel Van Bruegel in het Museum Boijmans Van Beuningen doe ik er met plezier bij. We zullen elkaar wel verstaan, me dunkt.

Johan De Wilde is docent en onderzoeker lerarenopleiding te Aalst (België) johan.dewilde@odisee.be