Judith Porcelijn

‘Ik houd helemaal niet van kamperen.’ 
Mijn studiegenoot Patty en ik hadden de tent opgezet op een camping bij het meer van Geneve. Ik had de kookspullen al uit mijn rugzak gehaald en wilde net water gaan halen. Ik liet de pan uit mijn handen vallen en keek haar verbaasd aan. ‘Wat doen we hier dan?’

Patty keek me boos aan. ‘We zouden naar de VS gaan en nu zitten we hier tussen de muggen op een ***camping. Ik houd niet van kamperen.’

Het beloofde een verschrikkelijke vakantie te worden. We hadden een Interrailkaart, een globale route richting Griekenland en nog 27 dagen te gaan. Het was de eerste avond en ik wilde nu al naar huis.

Het erge was: we zouden inderdaad naar de VS. We waren uitgenodigd door de vriend van een vriend van Patty wiens ouders een huis hadden gehuurd in Florida. Maar toen puntje bij paaltje kwam bleken de vliegtickets te duur, de ouders van geen uitnodiging te weten en de vriend van de vriend op Mallorca te zitten. Daarom besloten we te gaan doen waar ik al zo’n vijf jaar ervaring mee had: backpacken door Europa met de trein. Het werd een reis met bizarre momenten. De boodschap dat Patty niet van kamperen hield was verrassing nummer één.

Mijn rugzak was gevuld met alleen het hoognodige; alles in lichtgewicht. Het totaal woog nog geen zeven kilogram. 
Patty had haar rugzak volgestouwd met kleren. Ze had vijf verschillende outfits bij zich voor vijf verschillende gelegenheden: disco , diner, wandeling, strand en reizen – met bijbehorend schoeisel waaronder sandalen met hoge hakken. Het totaal woog bijna 18 kilo.
De derde dag klaagde Patty over rugpijn. Ik weigerde haar schoenen in mijn rugzak te stoppen. 
‘Maar jij hebt nog plek over.’
Ze had gelijk, maar ik weigerde. 
De treinreis van Geneve naar Rome hebben we zwijgend doorgebracht. 

Rome bleek een leuke stad. We vonden een goedkope kamer bij de nonnen en het restaurant beneden verzorgde een fantastisch buffet met studentenkorting. Het feit dat wij beiden nét afgestudeerd waren als insegnante zorgde dagelijks voor een gratis glaasje wijn bij het eten. We wandelden eindeloos door de stad, bezochten alle bezienswaardigheden en lieten ons lachend nafluiten door tutti ragazzi op scooters. Het ging pas weer mis in de Schatkamer van de St. Pieterbasiliek

Het was druk. Voetje voor voetje schuifelden we langs de vitrines vol gouden bekers en religieuze voorwerpen. De enorme rijkdom van deze kerk maakte iets in mij los. ‘Van alles wat hier ligt kunnen ze de hele derdewereldbevolking te eten geven.’ 
Patty keek me woedend aan en beende de schatkamer uit. Buiten bleek Patty een welopgevoedkatholiek meisje te zijn. Dat wist ik niet -onze pabo was neutraal bijzonder. De volgende dag vertrokken we naar Brindisi.

Op Korfoe zetten we onze tent op. We stonden vlak bij zee, hadden een schaduwrijke plek naast een picknicktafel én gezellige buren dus we besloten hier minstens een week te blijven. De onuitgesproken afspraak daarbij was om ook zoveel mogelijk uit elkaars buurt te blijven. Dat lukte aardig, tot de dag waarop ik het verkeerde luchtbed meenam naar het strand.

In de plaatselijke supermarkt hadden we twee goedkope luchtbedden gekocht. Patty kreeg steeds meer pijn in haar rug van het matje en ik vond het ook wel een goed idee om op iets dikkers te slapen. Ik ging ervan uit dat het ding lek zou zijn voor we verder reisden, dus ik sleepte hem ook mee naar het strand om op te zonnen én om mee in zee te dobberen. 

Na een rustig ochtendje strand kwam ik rond lunchtijd terug bij de tent. Patty zat broodjes worst te smeren voor onze Engelse buren – drie jongens van een jaar of achttien – en keurde mij geen blik waardig. Ik deed alsof mijn neus bloedde en schoof aan. Ik moest mijn eigen broodje smeren omdat ik háár luchtbed had blootgesteld aan kleine steentjes en zout water. Patty wilde pas weer met me praten als ik een nieuw luchtbed voor haar had gekocht – ‘in een ándere kleur graag’. 

De volgende dag besloten we een eind aan ons avontuur te maken en via Athene in één keer naar huis te treinen. Bij wijze van afscheid namen onze Engelse buren ons mee naar een groot terras dat bevolkt bleek met roodverbrande hooligans in zwembroek. Patty was vrolijk; in haar disco-outfit en hoge hakken had ze snel – en vaak – aanspraak en ze werkte het ene glas wijn na het andere naar binnen, terwijl ik met een boekje in een hoekje zat. Ik had thuis vaste verkering en het laatste wat ik wilde was een onverwachte vakantieliefde, gevolgd door dito gedoe.

Toen God save the queen voor de honderdste keer over het terras schalde was ik het zat en besloot ik naar de tent te gaan. Ik zocht Patty – maar die was spoorloos verdwenen. Voor ik in paniek kon raken werd ik op mijn schouder getikt. Ik keerde om in de verwachting Patty te zien, maar het was één van de Engelse buurjongens – stomdronken.

Ik kon hem niet verstaan. Hij brabbelde wat, wees in de richting van de camping en glimlachte. Ik begreep uit zijn gebaren dat Patty al naar de tent was en bedankte hem. Fijn. Ik kon naar de tent. 

Voor ik het terras af was, werd ik tegengehouden door de andere twee buurjongens. Die waren net zo dronken als hun vriend, maar ik begreep uit hun gebrabbel dat ik best naar de camping mocht, als ik maar niet ín onze tent ging. Want daar lag Patty met weer een andere Engelsman. Ik hoopte dat het niet één van de Hooligans was en besloot snel polshoogte te gaan nemen, in de hoop dat alles oké was met Patty – ondanks alles.

De Engels buurjongens – gentlemen boven alles – brachten me naar onze tent, riepen iets en verdwenen weer. De rits ging open en Patty’s hoofd kwam tevoorschijn. ‘Ga weg, ik wil geen luistervink.’

Ik probeerde nog een voorzichtig ‘Ja, maar ik wil graag slapen.’ en ‘Hoe lang zijn jullie dan nog…’, maar de rits ging weer dicht en Patty en de onzichtbare Hooligan giechelden. Ik besloot terug te gaan naar het terras. Geen idee wat ik daar dan moest, maar alles was beter dan bij de tent blijven hangen. 

De hooligans waren gaan zwemmen – ik hoorde ze in de verte zingen op het strand. Het terras was leeg, op één tafeltje na. Daar zat een diepgebruinde man van mijn leeftijd. Hij wenkte me en schonk een glas wijn voor me in. Voor ik kon tegensputteren lachte hij: ‘You owe me at least one. My mate is in your tent.’

foto Spoorwegmuseum

Hij was Engels, heette Colin, was vriendelijk en had twee verschillende ogen, net als David Bowie. Hij en Luke (die nu op mijn plek lag) gaven les op de surfschool. Hij probeerde indruk op me te maken met beeldende verhalen over aangespoelde lijken van toeristen die ’s nachts met hun dronken hoofd waren gaan zwemmen. Ik was wel wat gewend en wedde dat alle Hooligans het, in ieder geval die nacht, zouden overleven. Het was best gezellig en ik vond het jammer dat het terras ging sluiten.

Colin liep met me mee naar de tent. Tot onze verbazing klonk er nog steeds gegiechel in de tent. Colin stak zijn hoofd door de rits. Patty begon aanstellerig te gillen, Luke begon te schelden en Colin deed de rits weer dicht en keek me aan. ‘You turn into Luke’s bed.’

Colin en Luke deelden een houten hok met canvas veldbedden, rekken voor wetsuits en een piepklein keukentje. Een mannenhuishouden. Colin schonk weer wijn in. Ik accepteerde. En benadrukte dat ik thuis een verloofde had. Colin knikte vriendelijk. ‘No problem.’ 

Tegen vieren lag ik op het veldbed van Luke in een min of meer schone lakenzak, kreeg ik een zedig kusje op mijn voorhoofd en sliep ik tot ik koffie rook. Ik deed mijn ogen open en zag Colin, Luke en Patty buiten zitten. Patty zwaaide vrolijk. ‘We gaan naar huis.’

En dat deden we.

De laatste verrassing was dat Patty zwanger bleek te zijn toen we thuis kwamen. Ze gaf mij de schuld. Ik had haar tegen moeten houden, ik wist toch dat ze niet van kamperen hield?

Judith Porcelijn is lid van de redactie van KomenskyPost, voormalig leraar en maakt onder andere samen met Laura van de Wiel online lessen voor leraren.