In memoriam Liesbeth Koenen

Jan Lepeltak

“Ha Jan! Ja, dat is heel goed van Irma Sluis. Ze is gewoon een tolk tussen twee talen namelijk. Hoort een beroepscode bij. En ze is dus, sorry, geen doventolk maar een gebarentaaltolk, of nog netter: een tolk Nederlandse Gebarentaal. Vind dat een mede-taalkundige dat eigenlijk gewoon goed moet doen ;). Dus vandaar dat ik even kom frikken. De doven zijn achter de schermen gefrustreerd dat ze nog steeds buiten beeld blijven. Hun taal ook. Ze hebben gelijk, vind ik. “

Het was het laatste contact dat ik met de deze week overleden schrijfster, columniste en taalkundige Liesbeth Koenen had.  Ze reageerde op een tweet waarin ik mijn bewondering uitte voor de manier waarop Irma Sluis de wekelijkse Covid-19 persconferenties vertaalde. Maar ook haar in mijn ogen bescheiden opstelling. Irma Sluis werd een BN’er maar was nooit in praatprogramma’s te zien. 

Liesbeth leerde ik zes jaar geleden kennen naar aanleiding van de dood van Hugo Brandt Corstius. Mijn herinneringen aan HBC als docent deelde ik op internet.

Ze benaderde mij om te praten over haar plan om een biografie te schrijven over HBC. De eerste ontmoeting begon eerst wat korzelig. “Dus jij bent degene die allerlei stukjes uit mijn boek heeft gepikt?” Ik legde uit dat het om een schoolboek ging over taal en computers dat in de jaren ’90 was verschenen en dat haar boek Het vermogen van verlangen keurig werd genoemd in de literatuurlijst, maar dat het niet gebruikelijk is in schoolboeken te werken met voetnoten. “Ach, het maakt ook niet uit”, zei ze lachend. We hadden verder een lang en gezellig gesprek met veel wijn in de Amsterdamse Kring. Het ging over haar plan om een biografie over HBC te maken en zij vroeg zich af of er wel genoeg belangstelling voor zou zijn. “Absoluut”, was mijn antwoord. HBC was een boeiende figuur. Hij was een van de beste en interessantste docenten die ik heb gehad op het Instituut voor Algemene Taalwetenschap(ATW) van de UvA waar zowel Liesbeth als ik hadden gestudeerd. Ik weliswaar een aantal jaren eerder dan zij. 
Maar hoe kwam ze op het idee van een biografie? Ze vertelde dat een van haar beste vriendinnen de weduwe van HBC was en dat ze volledig op haar medewerking kon rekenen. We spraken over het moeilijke karakter van HBC, al merkte je daar in zijn werkgroepen weinig van.  

Zijn gedrag werd verklaard doordat hij vermoedelijk leed aan het syndroom van Asperger. Iets wat hij op latere leeftijd ook zelf erkende. Dit had sterke invloed op zijn sociale interacties. Ik herinner mij dat hij, wanneer je bij een instituutsborrel met hem in gesprek was, er middenin kon weglopen. Voor een student versterkte dat niet direct je zelfvertrouwen. Dat was helemaal niet bijzonder vertelde Liesbeth; dat deed hij bij mij als hij met zijn vrouw op mijn verjaardagsfeestje was ook wel.  
Liesbeth was een gedreven taalkundige. Ze was net zoals ik zeer beïnvloed door de taalkundige, filosoof en politiek activist Noam Chomsky, die zij persoonlijk kende en heeft geïnterviewd. Hij stuurde haar jaarlijks een felicitatiekaart op haar verjaardag. Dat maakte mij zeer jaloers. http://www.liesbethkoenen.nl/archief/het-dubbelleven-van-noam-chomsky/

Liesbeth was een betrokken mens die ook veel wist van gebarentaal, maar ze was vooral een geestige, zeer intelligente vrouw zonder opsmuk.
Toen het haar lukte een subsidie te krijgen uit het fonds der letteren voor haar HBC-project meldde ze mij dat enthousiast. 

Ik kwam haar in onze woonplaats Amsterdam ook regelmatig tegen en een vaste vraag was dan: “Hoe staat het met de bio van HBC?” Haar antwoord luidde: “Je moet nog even geduld hebben Jan.”

.