Gerard Wegman

“Dat witte overhemd moet je wel netjes in je rugzak stoppen hoor. Ik heb het niet voor niets gestreken. En vergeet die blauwe stropdas niet!”

Mijn moeder was overbezorgd. Mijn eerste grote buitenlandse reis. En dan meteen naar Afrika! Mijn ouders waren nooit verder gekomen dan met de auto naar Noord-Frankrijk en ooit, voor hun huwelijk, per vliegtuig naar Londen.

In 1970, na het behalen van mijn hbs-diploma, had ik andere plannen. Samen met mijn schoolvriend Jan naar zijn familie die in Gdansk en Gdynia in Polen woonde. Spijkerbroeken en nylons mee om op de zwarte markt voor veel Zloty om te wisselen en volgens mijn vriend konden we dan per lokaal vliegtuig een rondreis door het land van zijn moeder maken. Dat leek mij wel wat. Hij was vaker geweest en sprak, volgens mij, wel een aardig woordje Pools. Ik kwam niet verder dan ‘Polskie Towarzystwo Schronisk Młodziezowych’ of zoiets, dat Poolse Jeugdherberg Centrale moest betekenen. Een dak boven ons hoofd was dan in ieder geval geregeld! Maar vlak voordat we onze handel voor de Poolse zwarte markt zouden aanschaffen kwam er een ander vakantieplan op tafel. 

Een tweede vriend, Bert, kwam met een voorstel. We konden met hem mee naar een oom van hem die in Algiers woonde en hem had uitgenodigd om zijn nicht met vriendin op de reis naar ‘pappie’ te vergezellen. Er mochten ook twee vrienden mee. Wij dus! 

De oom had ook een woning in Amsterdam en na een bezoek aan hem, een maand voorafgaand aan de reis, was de kennismaking zo overtuigend, dat ook mijn bezorgde ouders hun fiat gaven. Hun oudste zoon ging naar Afrika op vakantie! De oom van vriend Bert vertelde dat het na de machtsovername door Houari Boumédiène, vijf jaar geleden inmiddels, weer rustig was in Algerije. En hij kon het weten, want hij woonde en werkte er. 

Er moest nog wel wat geregeld worden. De reis. Veel geld hadden we niet, dus het plan was om met Roy-reizen, ons bekend uit onze Ryam-agenda’s, een busreis Roosendaal – Aix-en-Provence te boeken, vandaar te liften naar Marseille en daar vandaan met Air France naar Algiers te vliegen. 

in 24 uur van Roosendaal naar Aix-en-Provence

Met de trein arriveerden we ruim op tijd bij de vertrekplaats van de Roy-bus. Het lukte ons een mooi plekje op de achterbank in te nemen. Echt op tijd, want de bus bleek bijna overboekt. Het echte avontuur kon nu veilig beginnen. Twintig uur door België en Frankrijk. Het netwerk van Autoroutes, zoals we dit nu kennen, was nog in ontwikkeling, dus de Routes National door allerlei steden en dorpjes maakte het leven in de bus wat onrustig. Zo af en toe was er een plaspauze en nam daarna de tweede chauffeur weer een deel van de weg voor zijn rekening. Wat er zich achter de rug van beide chauffeurs afspeelde ontging hen. Wij, drie redelijk maagdelijke jongeheren, vermaakten ons met een leuk vriendinnengroepje dat zich op de banken voor ons had geïnstalleerd. Zij waren op weg naar een kampeervakantie in de buurt van Monaco en met onze bestemming maakten we toch de nodige indruk. De nicht en haar vriendin waren niet ons type en bemoeiden zich ook nauwelijks met ons. Prima zo.

Na de nachtelijke tocht met weinig slaap door het steeds warmer wordende zuiden van Frankrijk, stopte de bus rond half zeven ’s ochtends bij de eerste afzethalte: een wegrestaurant aan de rand van Aix. De half slapende vriendinnetjes bleven helaas achter voor hun eindbestemming Le Cap d’Ail. Het gangpad lag vol met slaapzakken met jonge meurende reizigers. De tocht naar buiten werd een soort veldslag. Of er bloed vloeide weet ik niet, maar blauwe plekken zijn er vast veroorzaakt. Nog even nazwaaien en toen werd het stil. Drie jongens met hun rugzakken en de nicht met haar vriendin. Veel te warm gekleed voor deze locatie. En hoe nu verder?

Mijn Franse taalbeheersing van de hbs bleek voor de autochtonen helder genoeg om ons de plek te wijzen naar de weg richting Marseille, de D8. Onder een plataan langs de driebaansweg vonden we een fijne liftplek. En wonderwel hadden we na korte tijd al beet! Er stopte een aftandse Renault Goèlette met twee man in de cabine. Wij mochten achter in de open bak tussen wat bouwmaterialen plaatsnemen en konden helemaal mee naar de bestemming, een bouwplaats in de buurt van het Gare Saint Charles, het station van Marseille. Top.

Renault Goèlette

Na een half uur Provencaalse wind door de haren werd er gestopt bij een chauffeurscafé. Tijd voor een ontbijt. Niets mooier dan door twee mannen uit de streek een perfecte croissant met petit noir voorgeschoteld te krijgen. Voor mij een cultuurschok. Heerlijk brood, maar die koffie … Ik dacht dat mijn lepeltje er even rechtop in kon blijven staan. Sterk!

In Marseille aangekomen en na hartelijk dank en de aanwijzing: “Toutes droit, et au Vieux Port allez a droite! Et la ils sont des autocars pour l’aeroport Marignane!” Mijn eerste vliegreis werd er een om nooit te vergeten. Allereerst de Caravelle. Na het inchecken liepen we over het platform naar het opgestelde toestel. Prachtig. Maar dan de medepassagiers. Een ratjetoe aan Noordafrikanen, bepakt en bezakt; een enkeling met een levende kip of haan in een mand. Ik miste eigenlijk nog slechts een kameel, want dan voelde ik mij al op de eindbestemming, het vliegveld van Algiers.

Caravelle

Nadat de uiterst vriendelijke Air France stewardessen iedereen op de plaats hadden gezet en ons hadden getoond hoe we na het neerstorten toch weer veilig uit het toestel konden komen, vertrok het vliegtuig. Het verzet van de opgesloten haan achter mij die de hele reis meer lawaai maakte dan de motoren, zorgde ervoor dat ik me na de landing in een oase van rust waande. De omgeving van Marseille was geel, maar hier op het vliegveld leken we al in de Sahara aangeland. Dit was dus Afrika.

Algerije, met toen een laaggeletterde bevolking, bleek een land van formulieren. We kwamen niet zomaar langs de douane. Eerst moest ieders persoonlijk bezit worden vastgelegd op formulieren. Paspoorten werden doorgebladerd en bestempeld net als opnieuw de formulieren. Vriendelijk lachen, ons beste Frans en af en toe: “Oui, Kruuf!” uitkramen bleek het binnenkomen van het land te versnellen. 

De oom van Bert stond met chauffeur in de aankomsthal op de jongelui uit Nederland te wachten. Twee heren, keurig in kostuum, de chauffeur voorzien van een Nederlands vlaggetje. Een opvallend contrast met de veelal in witte gewaden of korte broek geklede Algerijnen. Na een hartelijke begroeting volgden we het tweetal naar buiten. Er bleken twee Peugeots 404 voor de deur te staan. De dames bij oom en de heren bij de chauffeur. Mohammed bleek privéchauffeur, maar ook nog een eigen taxibedrijf erop na te houden en een bron van lokale kennis. 

Van het vliegveld richting de stad, een afstand van nog geen tien kilometer bleek een uithangbord van de ontwikkeling van deze letterlijk jonge staat. Boum had er in korte tijd een echte vierbaans snelweg te hebben aangelegd. Nieuwe investeerders uit Europa werden op deze manier klaargestoomd om te investeren in de ontwikkeling van het land na de bevrijdingsoorlog die veel levens had gekost. De weg symboliseerde de start van deze modernisering. Na enkele kilometers bleek dat maar al te duidelijk toen we op de snelweg moesten wachten omdat er een gigantische kudde geiten met herders de snelweg overstak. Op zoek naar grazige weiden!

De stad die zich voor ons ontvouwde lag in een kom van het heuvelland dat doorliep tot aan de kust. Langs de haven voorname witte Franse bouw uit de Belle Epoque, meer hoger op de heuvels de woonwijken en bij het stadscentrum, de kasbah, een wirwar van smalle straatjes, veelal trappen, waar de vrijheidsstrijders van de FLN (Front de la Liberation Nationale) zich moeiteloos konden verbergen voor politie en Franse soldaten. Mohammed beloofde ons daar in de komende weken rond te leiden.

Algiers Kasbah
Algiers Kasbah

De oom van Bert had zijn kantoor aan de haven, maar woonde in de internationale buitenwijk in een koloniale villa uit de Franse tijd: de ‘residence’. Dit zou voor de komende weken ons ‘basiskamp’ zijn. Pure luxe met personeel, waaronder een schattige kokkin Aicha.

In de weken die volgden werden we door oom af en toe meegenomen naar party’s. We maakten kennis met het diplomatieke wereldje van de jonge staat. Wit overhemd en stropdas behoorden wel tot de dresscode. Zo raakten we verzeild op een afterparty van een Amerikaans dansgezelschap. Het feestje werd gehouden bij de Zwitserse ambassade. Algerije had in die dagen betere betrekkingen met het Cuba van Fidel en daarom minder met de VS, waardoor er ook geen Amerikaanse ambassade was. We ontmoetten de leuke danseressen, maar het meest bijzondere was toch wel dat we werden voorgesteld aan Abd al Aziz Bouteflika, de toen 33-jarige minister van buitenlandse zaken en rechterhand van Boum. Van 1999 tot 2019, in roerige tijden, was Bouteflika president van Algerije.

Minister van buitenlandse zaken Abdel al Aziz Bouteflika in 1970

Mijn verjaardag was ook heel bijzonder. Twintig worden zonder je familie, maar met uitgenodigde leeftijdgenoten, kinderen van diplomaten en enkele van de Amerikaanse danseressen in een onvergetelijk decor. Bij de residentie lag een oud Frans carrévormig boerderijtje, Le Ferme, dat in een soort kerstsfeer werd verlicht. En huiskokkin Aicha verzorgde een fantastisch couscousmaal waarna de gezelligheid nog lang voortduurde. 

ruïnes van Tipasa

Die drie weken lagen we echt niet alleen aan het strand. Een mooie trip was die naar de Romeinse resten van de stad Tipasa waar de pied noir Albert Camus prachtig over schreef in zijn essay ‘Retour à Tipasa’. Ook reden we met chauffeur Mohammed naar de steden Blida en Medea, aan de noordgrens van de Sahara. Spannend was onze reis door Kabylië en het Atlasgebergte, het gebied dat, in tegenstelling tot de kuststrook waar meest islamitische volken zijn gevestigd, vooral bewoond wordt door Berbers. We reisden per trein van Algiers naar Bouia, tussen Atlas en Sahara. We liftten via bergwegen, overnachtten in lokale hotelletjes, aten wat de pot schaftte en sliepen een keer in de buitenlucht in onze slaapzakken, op een heuveltop boven de haven van Béjaïa, Cap Carbon. Een nacht zonder slaap, voortdurend wakker gehouden door ratten en apen die het op onze tassen hadden voorzien.

Béjaïa

Ten oosten van Béjaïa ligt een idylisch strand. We vonden een hotelletje met restaurant aan zee. Een onbeschrijvelijke luxe voor drie jonge jongens. Zon, stranddag, vis eten aan zee, wijn uit de streek, zonsondergang, pitten en de volgende dag terugliften naar Algiers, 200 kilometer kronkelweg naar het westen. Vriend Bert voelde zich niet lekker. Na de eerste lift werden we afgezet in een bergdorp. Tot het middaguur zaten we zonder lift gevangen in de schaduw van een boom langs de weg. Vriend Bert had overduidelijk koorts. Gelukkig bleek in het dorp een jonge Franse arts te wonen die zijn militaire dienst in Algerije vervulde. Hij stelde bij Bert de gevolgen van een zonnesteek en derdegraads verbranding van de rug vast. De stranddag had zijn sporen nagelaten. Verder liften was onmogelijk. In het mobieltjesloze tijdperk is het dan fijn dat de dokter over een telefoon beschikt waarmee we de oom van Bert in Algiers konden bellen. Na z’n drie uur wachten stond chauffeur Mohammed voor de dokterswoning. In de schemering slingerden we door de Atlas terug naar de hoofdstad, waar kokkin Aicha de bladderende rug van Bert met de meegebrachte zalf behandelde. Die laatste week was Bert uitgeschakeld. 

Vriend Jan en ik vermaakten ons met tripjes naar het strand met Berts nicht en vriendin, een geweldige wandeling door de kasbah met autochtoon Mohammed, die ons ook in het huis van zijn moeder meenam naar het dak. Hier keek je over de prachtige trapvormige wijk van ontelbare platte daken, doorsneden met smalle steegjes. Tijdens de bevrijdingsoorlog wisten de rebellen gemakkelijk in dit doolhof over de daken te ontsnappen aan hun Franse achtervolgers.

Architect Fernand Pouillon

Ik maakte een van de dagen alleen een wandeling door een moderne nieuwbouwwijk, een deel van Bab El Oued. De flats waren ontworpen door Fernand Pouillon. Strak, geometrisch. De afwerking was echter door de lokale nieuwe bewoners aangebracht: de kleine balkons waren op allerlei manieren met houten plankjes gebarricadeerd, zodat daar kippen of een geitje gehouden konden worden. Heel bijzonder. Kinderen op straat dachten in mij de toen beroemde Engelse voetballer Bobby Moore te herkennen. Toen dat werd rondgebazuind had ik binnen de kortste keren een groep van zo’n honderd dolenthousiaste kinderen om mij heen. “Bobby Moore, Bobby Moore!” Het kostte me enige moeite hen duidelijk te maken dat ik uit het land van ‘Kruuf en Keizer’ kwam en dat ik een van de meest onbekende en minst begaafde spelers van de Pays-Bas was.  

Voor de terugreis naar Marseille hadden we in Nederland tickets gekocht voor de veerboot, de Kairouan. In ruim een dag vaart die langs Menorca de Middellandse zee over naar de Franse havenstad. Ons was gevraagd om ons keurig te kleden: wit hemd en stropdas. Toen we bij de haven aankwamen bleek waarom. De oom van Bert had een dusdanige status dat wij met de auto de douane en andere geüniformeerde witte handschoenen met gemak passeerden. Vele honderden passagiers stonden in rijen te wachten om aan alle formaliteiten te voldoen. Mohammed reed rustig langs de rij. Onze formulieren hadden wij bij aankomst op het vliegveld dus voor niks ingevuld. Toen we aan de kade arriveerden sprak oom even met iemand van de bemanning. We moesten de officier volgen en na een aantal trappen en gangen stonden we bij de bar van de 1eklasse op het achterdek. Ons gezelschap werd ontvangen door de kapitein van het enorme passagiersschip. We kregen een drankje, een beetje social talk, waarna de oom van Bert afscheid van ons nam. De kapitein had andere zaken te doen en wij werden bij de bar aan ‘ons lot’ overgelaten. Dit was niet bepaald de kwaliteit behorend bij het goedkoopste ticket. Wij hadden ons de terugreis anders voorgesteld. Dan hadden we nu onder in het ruim gezeten tussen de mensen met hun kippen.

S.S. Kairouan

Het werd een cruise-dag. De beschikbare dekstoelen met zachte kussens bleken prima bedden voor de nacht. Een dag later doemde aan de horizon de Franse zuidkust op, heuvels met de contouren van de Notre-Dame de la Garde, het hoogste punt van Marseille. Het aanmeren van een zeeschip is altijd een belevenis en dit was vanaf het achterdek goed te volgen. We namen afscheid van de goedlachse hostesses van de 1e klasse-bar en met de rugzak op vormden we toch wel vreemde gasten tussen de mantelpakjes en Armani’s. 

Na wat cashen bij een American Express wisselkantoor hadden we genoeg geld voor een overnachting in de jeugdherberg van Marseille-Bonneveine en voor een treinreis naar Aix waar wij de volgende dag zouden worden opgepikt voor de terugreis. De Roy-bus kwam keurig op tijd het afgesproken parkeerterrein oprijden. De touringcar zat al nagenoeg vol met gebruinde studenten. De leuke meisjes van de heenreis waren al thuis of zaten nog in het casino in Monte Carlo. 

Hoe noordelijk we kwamen, hoe grijzer de lucht. De reis duurde lang genoeg om bij het uitstappen in Roosendaal weer met beide benen op de grond te staan. Een dag later hing het witte overhemd weer gestreken in de kast en lag de stropdas klaar voor een volgende gelegenheid. Kerst misschien?

Gerard Wegman

Eindredacteur KomenskyPost