Judith Porcelijn

Redactieleden blikken terug bij ons eerste lustrum.

Mijn eerste boek schreef ik toen ik zeven jaar oud was. Op school had ik voor moederdag een asbak gekleid en een kralenketting geregen – zoals het hoorde in de jaren ’70. Helaas was (en is) mijn talent op het gebied van beeldende vorming nogal onderontwikkeld, waardoor mijn asbak leek op een uitgezakt zandtaartje en mijn kralenketting te kort was om over zelfs mijn eigen hoofd heen te krijgen. De juf keek mij hoofdschuddend aan. ‘Gelukkig kun je wel goed verhaaltjes schrijven. Zeg dat maar tegen je moeder.’

Mijn moeder was kleuterjuf; een echte klosser in hart en nieren. Ze las mij nooit voor, nee: ze vertelde verhalen voor het slapengaan. Sommige verhalen waren kort en grappig, andere werden lange vervolgverhalen. Mijn moeder eindige dan steevast met een cliffhanger, waardoor ik niet kon slapen en ik haar midden in de nacht jammerend wakker maakte en net zo lang zeurde tot ze vertelde hoe het verhaal af zou lopen.

Maar goed. De asbak en de kralenketting had ik al mismoedig in de vuilnisbak gegooid en moederdag naderde met rasse schreden.

Ik besloot een verhalenboek voor mijn moeder te schrijven.

In de plaatselijke kantoorboekhandel kocht ik een tekenblok en een pen en ik begon. Op de eerste bladzijde schreef ik – zo netjes mogelijk: Voor mijn moeder. Verhaaltjes om voor te lezen in de klas. De eerste vijf verhalen vloeiden snel uit mijn pen. Daarna stokte mijn inspiratie. Ik dwong mijzelf tot het schrijven van het zesde verhaal. Het begin en het midden lukten nog wel, maar daarna? Ik had geen flauw idee hoe ik het verhaal moest laten aflopen. Toen besloot ik dat het tijd was om buiten te gaan spelen. Snel schreef ik nog: ‘Het einde mag je zelf verzinnen’. En ik rende naar buiten.

De zaterdag voor moederdag schreef ik nog een verhaaltje zonder eind. En toen zag ik dat de voorkant van het kladblok erg lelijk was; oranje met groene en bruine letters. Ik wilde een leuk plaatje en ik besloot dat dan maar zelf te maken. In de plaatselijke Hubo verkochten ze kleine potjes verf. Ik zocht een mooie kleur blauw uit en verfde daarmee de voorkant van het kladblok. Met rood vetkrijt kraste ik in de natte verf: Verhaaltjes uit de blauwe ton. De ton tekende ik ook; weer een uitgezakt zandtaartje. Maar gelukkig stond er nu bij wat het was.

Toen ik ’s avonds voor het slapengaan mijn boek wilde inpakken, was de verf nog halfnat. Ik hoorde mijn moeder de trap op komen, dus ik schoof het boek onder mijn bed en deed mijn hoofd onder de dekens.

Mijn moeder kwam mijn kamer binnen, snuffelde en riep uit: ‘Wat heb jij nou weer uitgevreten? Het stinkt hier naar verf!’ Ze gooide het raam open en keek me kwaad aan. Ik stortte in. Snikkend vertelde ik over het boek met de mislukte voorkant. Ik wees onder het bed. Het was toch al bijna zondagochtend. En natuurlijk was mijn moeder heel blij met haar cadeau. Dat ik de verkeerde verf had gebruikt, heeft ze me snel vergeven.

Sinds een paar jaar schrijf ik voor KomenskyPost. Dat doe ik graag. Schrijven over onderwijs is een fijne bezigheid, omdat het een groot gebied bestrijkt en tegelijkertijd zo klein is. Maar eigenlijk is er niks veranderd. Ik heb een lijst met minstens 100 titels klaarliggen. En aan zeker 25 van die artikelen ben ik ook ooit begonnen. Maar van sommige weet ik steeds niet hoe ik ze moet laten aflopen. En nu ik groot ben, kan ik mijn onvermogen niet meer verbloemen met een pot blauwe verf en de opmerking ‘Het einde mag je zelf verzinnen’. Dus ik stuur minder artikelen in dan ik zou willen. Ik hoop dat jullie het me vergeven.

Judith Porcelijn is redactielid van KomenskyPost.