Casper HulshofFlexibilisering in het voortgezet onderwijs is positief, maar heeft ook een duistere kant

KomenskyPost-redacteur en onderwijskundige Casper Hulshof nam onlangs deel aan een rondetafelgesprek in de tweede kamer. Hierbij een selectie van uitspraken uit zijn bijdrage. Het recent verschenen verslag van De staat van het onderwijs van de onderwijsinspectie bevestigt het belang van zijn betoog.

“Ik ga nu eerst iets positiefs zeggen, en daarna een aantal zorgen uiten.
Ik wil allereerst mijn waardering uiten voor het feit dat in de brief van de staatssecretaris de leerling centraal staat. Ook is het goed dat nagedacht wordt over wat je zou kunnen noemen de Predestinatie in het onderwijs: voor kinderen van een jaar of 11 wordt op dit moment hun toekomst min of meer vastgelegd via hun schoolkeuze. Elke vorm van flexibilisering lijkt dan automatisch wel een verbetering te zijn.
Tegelijk is het in ons vakgebied gebruikelijk dat we ons afvragen: voor welk probleem is het een oplossing? Het is voor leerlingen nu al mogelijk examen te doen op een hoger niveau, maar de gegevens in de brief tonen dat daarvan maar weinig gebruik wordt gemaakt. De vraag is of dit een probleem is en als dat zo is, of het zo’n groot probleem is dat maatregelen noodzakelijk zijn. Onderwijsbeleid heeft traditioneel twee problemen: ten eerste is onderwijs zo dynamisch dat het draaien aan de radertjes ervan gevolgen heeft voor het hele systeem. In het geval van maatwerk denk ik dan met name aan de aansluiting op vervolgopleidingen, bijvoorbeeld op de universiteiten en hogescholen, maar ook op het werkveld. Ten tweede leidt onderwijsbeleid onherroepelijk tot de zoveelste extra taak die scholen op hun bord geschoven krijgen. Maatwerk is dan in feite vooral méérwerk. Als je kijkt naar de toenemende tweedeling in het onderwijs – waarbij het bericht over Amsterdamse scholen van een paar dagen geleden een voorbeeld is maar ook vandaag weer in het nieuws – dan is de vraag welk probleem flexibilisering oplost: brede brugklassen en scholengemeenschappen liggen dan meer voor de hand.

Twee problemen
Ik wil kort nog twee problemen aanstippen.
Ten eerste: in zijn brief stelt de staatssecretaris dat maatwerk leerlingen stimuleert om het maximale uit zichzelf te halen. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn, maar het kan ook zijn dat maatwerk scholen ertoe verleidt leerlingen juist op een lager niveau onderwijs te laten volgen en de mogelijkheid open te laten om een enkel vak op een hoger niveau te volgen. Dat is een logisch gevolg als je wel opstroom, maar geen afstroom toelaat.

Ten tweede: het is maar de vraag of je ‘eenzijdig cognitief begaafde leerlingen’ (in gewone taal: iemand is ergens goed in) moet stimuleren hun specifieke talent te ontwikkelen. Je kunt ook stimuleren dat zij zich extra inspannen voor datgene waar zij minder goed in zijn – zodat zij uiteindelijk in álle vakken op een hoger niveau examen kunnen doen. Niet eenzijdig, maar veelzijdig cognitief begaafd dus.

Maatwerk is een zaak van en een taak voor het hele onderwijs. Tegelijk moeten we ons afvragen of talentontwikkeling gebaat is bij sterke wet- en regelgeving. Ik zou ervoor willen pleiten dat scholen vooral gefaciliteerd en geholpen worden de bestaande wetten en regelgeving toe te passen, en dat de Overheid niet krampachtig vasthoudt aan te veel flexibilisering.

 Casper Hulshof