KomenskyPost info

Laat schoolbesturen meebetalen

geld

Door Hans Duijvestijn

De nieuwe minister voor Onderwijs Arie Slob kan moeiteloos 300 miljoen per jaar extra ter beschikking krijgen voor de leraren in het po door de schoolbesturen mee te laten betalen.

Binnen enkele maanden hebben een paar leraren van de basisschool een beweging op gang gebracht die er zijn mag. De reeds lang sluimerende onvrede onder basisschoolleraren werd in no time omgezet in de actiegroep “PO in actie” die ook een aantal heldere eisen heeft geformuleerd. Er moet voor het basisonderwijs de komende jaren 1,4 miljard euro extra beschikbaar komen. Daarvan is 900 miljoen nodig om de salarissen gelijk te trekken met die in het voortgezet onderwijs  en 500 miljoen voor de verlichting van de werkdruk. Op 5 oktober staakte het basisonderwijs een dag en kwamen ruim 50.000 leraren naar Den Haag om hun eisen kracht bij te zetten. Opvallend was dat de werkgevers vertegenwoordigd in de PO-Raad zich achter de stakende leraren opstelden. Daarmee werd het waarschijnlijk de eerste staking in Nederland die niet gericht was tegen de werkgevers, maar tegen de overheid. De overheid is sinds de invoering van de lumpsum niet meer de werkgever in het onderwijs, dat zijn de schoolbesturen, maar bepaalt wel hoeveel geld er jaarlijks beschikbaar komt voor het onderwijs. De schoolbesturen moeten dat geld netjes verdelen, maar daarbij is er blijkbaar de afgelopen jaren iets niet goed gegaan gezien de claim van 1,4 miljard. De PO-Raad stelt dat de overheid structureel te weinig geld beschikbaar stelt om het basisonderwijs goed te kunnen organiseren, maar er zijn ook geluiden dat het beschikbare geld niet altijd even goed besteed wordt. Gedegen onderzoek daarnaar ontbreekt, omdat de Tweede Kamer telkens weer genoegen nam met de verzekering van de staatssecretaris dat het geld toch echt wel goed besteed wordt. De feitelijke besteding van de lumpsum blijft daarmee een black box. We zullen het moeten doen met de cijfers die we hebben.

Groeiende reserves

Sinds de invoering van de lumpsum in het PO in 2006 mogen schoolbesturen het geld dat ze in een bepaald jaar overhouden toevoegen aan hun reserves. Dat is best wel vreemd als je beseft dat ook al in 2006 bekend was dat schoolbesturen over (te) ruime reserves beschikten. Je zou een overschot over kunnen boeken naar het budget van het volgend jaar, maar scholen moesten bedrijfsmatig gaan werken en dan is geld dat overblijft winst en winst moet worden toegevoegd aan het eigen vermogen. In de eerste drie jaren van de lumpsum (2006-2008) hielden schoolbesturen 385 miljoen euro over van de lumpsum. De drie volgende jaren (2009-2011) was er echter een tekort van in totaal 235 miljoen. Wegens de crisis groeide de lumpsum niet meer, terwijl de kosten wel toenamen. Per saldo was er nog niets aan de hand, maar de PO-Raad luidde de noodklok. Vanaf 2012 ging het weer beter. In het najaar van 2013 gebeurde iets opmerkelijks. In de Tweede Kamer werd een akkoord gesloten waarbij onder andere 150 miljoen beschikbaar kwam om 3.000 extra docenten in po en vo aan te stellen. Dit bedrag werd op 13 december 2013 aan de schoolbesturen overgemaakt. Die konden dat natuurlijk niet in hetzelfde jaar besteden, met als gevolg: extra winst in 2013. Mijn onderzoek “Een bodemloze put?” (BON, 2016) wees uit dat die extra docenten er in het po nooit zijn gekomen. Tussen 2012 en 2015 werd in totaal weer voor 393 miljoen euro winst gemaakt. In tien jaar tijd liepen de toch al ruime reserves in het po op met 543 miljoen euro.

Put your money where your mouth is

Mede dankzij de lumpsum beschikten schoolbesturen in het po eind 2015 over eigen vermogens van in totaal 3.054,8 miljoen euro. Ruim tweederde van dat bedrag is niet noodzakelijk voor de financiering van het po. Dat blijkt ook uit het feit dat 2.442,2 miljoen euro op de bank staat. De schoolbesturen in het po zouden in een aantal jaren in totaal 2 miljard euro extra kunnen uitgeven aan het onderwijs bovenop de lumpsum en aan het eind van de rit nog over voldoende eigen vermogen beschikken om te voldoen aan de norm van 30% solvabiliteit. Waarom gaan schoolbesturen dan niet keihard aan de slag om in een paar jaar de werkdruk flink te verminderen? Vervolgens kunnen ze cijfermatig onderbouwen wat goed basisonderwijs werkelijk moet kosten en zal de overheid graag meer geld ter beschikking stellen. Dat gebeurt niet, omdat schoolbesturen de overheid niet vertrouwen en dus liever op hun geld blijven zitten. Ook zijn er schoolbesturen die nog steeds ontkennen dat ze te veel reserves hebben. Het is veel gemakkelijker voor ze om met de beschuldigende vinger naar de overheid te wijzen.

Wie neemt verantwoordelijkheid?

Het lijkt er op dat in de Tweede Kamer brede steun is ontstaan om de lumpsum systematiek gedeeltelijk los te laten. Ze willen voorkomen dat de extra middelen die via het nieuwe regeerakkoord voor het onderwijs beschikbaar komen via die lumpsum weer oncontroleerbaar verdwijnen. Veel leraren zullen dit van harte toejuichen. Gezien het voorgaande mogen we er niet op vertrouwen dat schoolbesturen hun verantwoordelijkheid nemen en hun eigen reserves inzetten om de werkdruk te verminderen. Daarom moet de overheid die verantwoordelijkheid terugpakken. Dat kan als de overheid, als feitelijk aandeelhouder van onze onderwijsinstellingen, een bescheiden dividend heft over de eigen vermogens van die instellingen. Schoolbesturen kunnen van dit dividend (gedeeltelijk) worden vrijgesteld als ze een solvabiliteit hebben van minder dan 30% of als ze in het voorafgaande jaar een verlies hebben geleden. Het verlies wordt in mindering gebracht op het dividend. Het door alle scholen opgebrachte dividend wordt toegevoegd aan de beschikbare middelen voor de bekostiging van leraren. Integraal onderdeel van dit voorstel houdt in dat de lumpsum gesplitst wordt in twee componenten: een deel voor de bekostiging van leraren, waaraan de opbrengst van het dividend wordt toegevoegd, een ander deel voor de kosten van het overige personeel en de materiële kosten.

Als we het dividend bijvoorbeeld vaststellen op 10% van het eigen vermogen, dan levert dat in het eerste jaar een bedrag van 300 miljoen op. In de volgende jaren zal de opbrengst geleidelijk dalen naarmate de reserves van schoolbesturen de gewenste 30% naderen, maar dan zitten we alweer ruim in de volgende kabinetsperiode. Deze maatregel levert in vier jaar tijd ongeveer een miljard euro op.

hansHans Duijvestijn is econometrist. Hij werkte o.a. als docent Bedrijfskunde. De laatste vijf jaar doet hij onderzoek naar de effecten van de bekostigingssystematiek in het onderwijs. Hij werkte ook mee aan het televisieprogramma De slag om Nederland van de VPRO. Daarin bekritiseerde hij de geldverkwisting in het mbo en verder publiceerde hij onder het motto:  Geld voor stenen in plaats van onderwijs.

 

  1. Paul Jansen

    Stop met de waanzinnige lumpsum financiering en red nu eindelijk het onderwijs uit de negatieve spiraal waarin het al jaren verkeert. Er hoeft niet meer geld bij maar het geld kan veel beter worden besteed:
    1. Neem leerkrachten weer in dienst van de centrale overheid, het ministerie. Dat was in de 60-er jaren zo.
    2. Dan kun je schoolbesturen opheffen. Dat brengt miljoenen zo niet miljarden op aan uitgespaarde (veel te hoge en nutteloze) bestuurskosten en vrijvallende reservepotten.
    3. Zo geef je de school weer terug, een school is dan weer een kleine entiteit, in ‘bezit’ van docenten, ouders en leerlingen.
    4. Door centraal het aantal en de opleiding van de leerkrachten te normeren voer je in één keer maximale klassengroottes in en maximale weektaken en leg je CAO onderhandelingen op de plaats waar ze horen.

Leave a Reply

Thema door Anders Norén