door Jason Bhugwandass

Op social media zie je ze soms wel eens voorbij komen: kinderen die weggelopen zijn uit gesloten instellingen. Ik deel die berichten nooit, en de mensen die dicht bij me staan eigenlijk ook niet. Ik geloof dat de gemiddelde burger denkt er goed aan te doen deze berichten wel te delen. Niet iedereen heeft een instellingskind binnen handbereik, dat kan vertellen waarom dit geen liefdadigheid is.

Mijn eerste opname heeft mij getraumatiseerd. Ik at niet, en omdat de sociotherapeuten mijn bloedwaardes wilden controleren werd ik iedere dag tegen de grond gegooid. Voor mij was dat beangstigend. Ik zat op mijn kamer en hoorde dan een groot aantal voetstappen mijn kant opkomen. Bij het tikje op de deur bevroor ik. In mijn deuropening stonden ze dan: vijf, zes, zeven, acht volwassenen die mij zouden vastpakken. Dat gebeurde vier keer per dag. Ik voelde me nooit veilig.

Drie maanden later zat ik aan mijn derde opname. Opgenomen worden was inmiddels mijn grootste angst geworden. Het lukte me niet meer te slapen, omdat ik het gevoel had dat ik ieder moment weer meegenomen kon worden. Ik besloot me alleen nog maar bezig te houden met wegkomen. En niet volgens de reguliere route, want ik mocht toch nooit op verlof. Ik moest uitbreken.

Ik was iedere dag overstuur. Hoe kon het ook anders? Ik zat op een gesloten afdeling met trauma’s van dezelfde gesloten afdeling. Ik zat constant in m’n ergste triggers, en ik was doodsbang voor de sociotherapeuten. Zij hadden me al eens pijn gedaan en dat gingen ze vast weer doen.

Een paar uitbreekpogingen mislukten. Toen ik wederom tegen de deur van de afdeling schopte, smekend of ze me eruit wilden laten, vroeg de sociotherapeut van dienst of ik niet in de computerruimte wilde gaan zitten. “Weet je dat zeker?” vroeg ik.

Ze wist het zeker. Wat ze niet wist, was dat ik een schroevendraaier in m’n mouw had verstopt. Ik liep naar de computerruimte, de enige ruimte waar maar één barricade was: een raam. Eén raam. Niet twee deuren, geen muren, één raam, waar vier schroeven uit moesten.

Een groepsgenootje liep achter me aan. Ze wist wat ik ging doen. Ze pakte de stoel in de ruimte en schoof deze onder de deurknop, zodat de sociotherapeuten niet binnen konden komen. Ze konden ons wel zien. Er zat geen muur tussen, maar een glazen wand.

Er moesten twee planken voor het raam weg. De eerste hadden we er vrij snel af. In de tweede plank bleef een schroef hardnekkig vast te zitten. Ik schoof de voetbaltafel nog snel voor de deur om tijd te winnen. Er moest nog één schroef écht uit. Anders gingen we niet weg.

Ik wilde niet de isoleercel in voor één schroef. Als ik nu niet weg kon komen dan kon ik straks een extra trauma op m’n lijstje zetten. In paniek greep ik de plank vast, keek niet achterom, en trok in één keer de hele plank van het raam. Het raam ging open.

Achter mij schoten de sociotherapeuten weg. Het alarm ging af. Vanaf alle groepen kwamen mensen aanrennen. De beveiligers van het ziekenhuis moesten ook een sprintje trekken. Tot de verpleegkundigen aan toe.

Toen ik achterover keek was mijn groepsgenootje al gepakt. Ze riep dat ik moest rennen. Dat deed ik, zo hard als ik kon. Ik moest weg. Ik kon niet langer opgesloten zijn. Ik verstopte me in de bosjes. Aan de overkant zag ik iedereen rennen. Ik had een onlogische route gepakt, omdat ik de omgeving niet kende. Ik mocht immers nooit weg.

Iedereen had verwacht dat ik naar het station zou rennen en dat had ik vast gedaan wanneer ik de weg had gekend. Maar ik mocht nooit met verlof; ik wist niet eens waar het station was. Ik zat tussen de bosjes, omdat ik niet beter wist. En zij konden me niet vinden, omdat ze me hadden overschat.

Het werd donker en ik volgde het licht naar de autoweg. Daar ging ik liften. Keep in mind, dat ik toen nog als meisje leefde, en ik leek 14. Ik stond naast de weg te zwaaien. Er stopte één auto waar een man in zat. Ik vond hem eng. Ik ben bang voor mannen en deze man was erg groot.

Ik maakte een afweging: terug naar de afdeling en opgesloten zijn of instappen met een aantal mogelijkheden: veilig wegkomen, verkracht worden, of erger nog: vermoord worden. En ik besloot dat de gesloten afdeling nog altijd het ergst zou zijn.

Wat er nu ook zou gebeuren, alles zou beter zijn dan teruggaan. Ik zag gesloten zitten als een gijzeling en ik ging voor geen goud terug. Ik stapte in bij een onbekende man, omdat de groep, waar ik van de rechter moest zitten, mij getraumatiseerd had. Ik vond de vreemde man in de auto minder eng dan de hulpverlener.

De vreemde man bracht me naar m’n bestemming en gaf me het kaartje van de bakkerij van z’n vrouw. Als ik wilde mocht ik daar wat lekkers uitkiezen. Ik was onterecht bang geweest.

De politie zocht naar mij. Ik was een uitgebroken psychiatrische patiënt die volgens de hulpverleners op het randje van een psychose zat. Ik was zo’n kind, gevlucht uit een instelling, waarvan je de twitterberichten met regelmaat langs ziet komen. Als je mij echt had willen helpen, en mijn welzijn de eerste prioriteit gaf, dan had je dat bericht niet gedeeld. Je had de politie niet gebeld als je me toevallig herkende. Je had me laten lopen.

Kinderen lopen niet voor niks weg. Het is niet jouw taak je te bemoeien met een zaak waar je niks van weet. De politie handhaaft de wet. Ze sporen ons op omdat de wet zegt dat we gesloten moeten zitten, maar dat is geen garantie dat die gesloten omgeving daadwerkelijk beter voor ons is.

We zijn geen vermistekinderen; we zijn gevluchtekinderen. We lopen ergens voor weg en het is niet aan jou ons terug te vinden. Wanneer de politie onze foto’s verspreidt met enkel de informatie dat we uit een gesloten instelling komen, deel zulke berichten dan niet. Je weet niet waar we voor weglopen.

Jason Bhugwandass

Jason Bhugwandass

Jason Bhugwandass (20) schrijft blogs voor KomenskyPost. Hij noemt zichzelf ‘gepromoveerd probleemjongere’. Jason geeft een stem aan al die jongeren die in instellingen van de jeugdzorg zitten.