Wordt de waarde van digitaal onderwijs overschat?

In een recent blog gaat Diane Ravitch in op een artikel van William Doyle, visiting scholar and lecturer media and education aan de Universiteit van Oost-Finland.  Doyle is geen pure onderwijsman, maar onder meer schrijver van enkele bestsellers en hij was ook programmamaker bij het Amerikaanse kabelnetwerk HBO (bekend van onder andere series als Madmen).

De mening van een betrokken ‘buitenstaander’ is vaak interessant en dat Ravitch hem citeert is opmerkelijk.
Doyle stelt dat, mede op basis van het OECD-rapport, Students, Computers and Learning: Making the Connection (2015), in de meeste landen het huidige gebruik van ICT zijn optimale punt heeft bereikt. Hierbij citeert hij OECD onderwijsdirecteur Andreas Schneider: “In most countries, the current use of technology is already past the point of optimal use in schools, (…) We’re at a point where computers are actually hurting learning.”

Wat opvalt in het op PISA-onderzoek gebaseerde rapport is dat Nederland met zijn computergebruik (94% van de leerlingen gebruikt ICT) tot de internationale toppers zou behoren (nog boven Singapore). Landen worden vergeleken op basis van de PISA-wiskunde resultaten. Er was nogal wat kritiek op de ‘OECD-analyse’. Dat geldt ook voor de stelling dat pen en papier (analoge tools) bij de ontwikkeling van jonge kinderen de voorkeur verdienen ten opzichte van ICT-tools. Toch wint deze gedachte terrein. Eerst analoog leren en dan enkele uren per week voor het scherm moet voldoende zijn. Gaat men langer achter de computer dan worden de voordelen snel minder en kunnen ze zelf negatief worden. Volgens het OECD-rapport.

“De school van de toekomst zou een digitale oase moeten zijn”

Op de discussie over de geldigheid van de OECD-analyse zal ik niet ingaan. Dat de  resultaten van ICT inzet vaak tegenvalt, wordt volgens critici verklaard door het gebrek aan eigentijdse didactische scholing. Ook bij de OECD speelt scholing en professionalisering een centrale rol.  Die professionalisering zou, zoals in Finland, moeten bestaan uit een mix van analoge en digitale hulpmiddelen.

De school van de toekomst zou volgens Doyle een digitale oase moeten zijn. Hier leren kinderen met gebruik van pen en papier. Ze manipuleren fysieke objecten, werken met  krijt en verf, gebruiken echte gedrukte boeken. Ze hebben face-to-face-interacties met elkaar en hun docent. Ze ondergaan ervaringen in de natuur in plaats van digitale simulaties (augmented reality).  Dat doen ze allemaal met inzet van wat volgens Doyle het ultieme gepersonaliseerde platform is namelijk zeer goed gekwalificeerde docenten van vlees en bloed.

In de post-technologische school staat de creatieve leerling centraal. Creativiteit vormt de motor achter de leerprocessen. Doyle komt met voorbeelden uit het sciencelab van een Finse school. Hier zijn vierde groepers intensief bezig met het bouwen van fysieke tastbare elementen als robots (met Lego Mindstorms). Maar ook hamers, zagen, hout en keramiek, spullen uit een goede timmerwinkel zijn binnen handbereik en worden gebruikt. Ze leren niet alleen STEM-activiteiten en ‘hard skills’ zoals het programmeren en het in elkaar zetten van hun robots, maar ook communiceren,  overleggen, samenwerken, onderhandelen en muziek maken.  Ze mogen giechelen, geintjes maken, wiebelen en bewegen want zo zitten kids van die leeftijd in elkaar volgens Doyle.

Op de Deense Legoschool in Billund (Dk) worden kinderen (van 3-16 ) voorbereid op het programma van het Internationaal Baccalaureaatsprogramma. Het curriculum is gebaseerd op creatieve activiteiten die zowel analoog als digitaal van aard zijn.

Doyle meent dat men digitale tools natuurlijk zal blijven gebruiken. Ze kunnen de leerervaringen van kinderen verrijken. Maar uren achter het scherm zitten als vervanging voor werkelijke ervaringen leidt niet tot authentieke leerervaringen en levert uiteindelijk weinig of niets op.
Mitchel Resnick (MIT en mede-ontwikkelaar van Scratch), die niet genoemd wordt in het artikel van Doyle, adviseert Lego. Resnick was leerling van Seymour Papert op het Medialab van het MIT. Hij is de geestelijke vader van de computerclubhouse beweging waar veel van de genoemde ideeën al in de jaren ’90 werden gepraktiseerd. Eind jaren ’90 kon ik met hulp van onder andere Resnick c.s. een computerclubhuis  in Amsterdam beginnen.


Papert was een van de uitvinders van Lego (‘The kids should be in control not the computer”, zei hij in een interview dat ik 1986 met hem had) . Papert en Resnick stonden ook aan de basis van de maker-education, waar ik een grote toekomst voorzie. De enthousiaste Nederlandse ambassadeurs als Per-Ivar Kloen en Arjan van der Meij zijn daar debet aan.
Computational thinking / coding hoort bij de maker-movement. Niet als doel op zich maar als een tool in creatieve processen. Bij de introductie van IT (later ICT) in de jaren ’80 ging het vooral om Learning to use (leren de pc te gebruiken), in de jaren ’90 lag het accent op Using to learn, (ICT ingezet bij de vakken als ondersteuning van het curriculum) daar is nu learning to create (ICT als hulpmiddel bij creatieve leerprocessen) bijgekomen.

Door Jan Lepeltak