Dit stuk van logopedisten Marjan Megens en Stefanie Eysselinckx verscheen eerder op de Vlaamse website Kleutergewijs. We herbloggen het hier met enkele aanvullingen van Johan de Wilde voor Nederlandse kleuterleerkrachten.

Heel vaak krijgen kinderen goedbedoelde spreekadviezen die averechts blijken te werken.
Voorbeelden zijn: “praat eens langzamer”, “zeg het eens opnieuw”, “adem eens goed in”, …  Hoe meer een kind zulke adviezen krijgt, hoe meer het bewustzijn groeit en hoe meer stotteren zich verder ontwikkelt.
Een kind leert dat er iets mis is met zijn spreken en gaat het bijvoorbeeld proberen te verstoppen. Je reageert dus het best zo neutraal mogelijk door gewoon af te wachten en geduldig te luisteren!

Een paar misverstanden:

  • Stotteren is een normale fase in de taalontwikkeling. Wacht maar af, het gaat vanzelf wel over.
  • Vraag gewoon aan de kleuter om wat trager te praten, dat helpt zeker tegen stotteren! En laat hem wat meer nadenken voordat hij iets zegt.
  • Stottertherapie al starten op 3 jaar? Dat is toch veel te vroeg! Zo’n jonge kleuter is daar nog niet rijp voor.
  • Een kleuter die stottert, zal als volwassene ook zeker stotteren! Daar leggen de ouders zich best al bij neer.

Over stotteren doen veel hardnekkige mythes de ronde. Toch is het zo dat uit wetenschappelijk onderzoek heel wat correcte informatie voorhanden is.

belangrijkste-feiten-op-een-rijtj

Er is een verschil tussen normale onvloeiendheid en stotteren

Stotteren wordt weleens verward met normale onvloeiendheden die iedereen weleens heeft. Toch is stotteren goed te onderscheiden van deze normale onvloeiendheden.

Normale onvloeiendheden kunnen zijn:

  • Een stille pauze in je zin
  • “Eum” zeggen
  • Een zin veranderen
  • Woorden toevoegen
  • Een woord volledig herhalen

Bij stottermomenten, in tegenstelling tot bij normale onvloeiendheden, wordt het woord ongewild en onvrijwillig doorbroken.

Stottermomenten zijn:

  • Een herhaling van een klank of lettergreep bvb. B b b bal of ma ma ma maar.
  • Een verlenging van een klank bvb. Vvvvvis of eeeeen.
  • Een blokkering: dit hoor je niet maar zie je wel bvb. ___boek (je ziet de lippen vastzitten).

Wanneer een kind op minstens 3 % van de woorden een stottermoment heeft, kan je echt van stotteren spreken.

De oorzaak van stotteren ligt in de hersenen

Ongeveer 3 % van de kinderen die geboren worden, draagt de aanleg om te stotteren. Aanlegfactoren maken een kind vatbaar voor stotteren. Het samenspel van de genen zorgt voor een andere hersenontwikkeling. Stotteren is dus aangeboren.

De oorzaak van stotteren is dus niet dat een kind te snel praat, zenuwachtig is of de te hoge verwachtingen heeft, MAAR in combinatie met aanleg lokken bepaalde factoren het stotteren uit.

Uitlokkende factoren

Stotteruitlokkende factoren zorgen ervoor dat het stotteren op een bepaald moment tot uiting komt én dat het stotteren bijna altijd sterk op en neer gaat: fluctueert.

De meest voorkomende uitlokkende factoren zijn: groei, emoties, vermoeidheid, taaldruk en spreekdruk.

Spreekadviezen zorgen ervoor dat het stotteren erger wordt

Heel vaak krijgen kinderen een heleboel goedbedoelde spreekadviezen. Voorbeelden zijn: “praat eens langzamer”, “zeg het eens opnieuw”, “adem eens goed in”, ..

Hoe meer een kind zulke adviezen krijgt, hoe meer het bewustzijn groeit en hoe meer stotteren zich verder ontwikkelt. Een kind leert dat er iets mis is met zijn spreken en gaat het bijvoorbeeld proberen te verstoppen. Je reageert dus het best zo neutraal mogelijk door gewoon af te wachten en geduldig te luisteren!

Hoe jonger de therapie start, hoe beter

Dikwijls uiten ouders zelf aan de kleuterleerkracht hun bezorgdheid over het spreken van hun kind. Ze vragen aan jou hoe hun kind praat in de klas. Ga zeker in op die bezorgdheid. Vanaf het moment dat het stotteren opgemerkt wordt, kan een kind starten met stottertherapie.

Hoe vroeger de ouders erbij zijn, hoe sneller een logopedist de ouders kan informeren en begeleiden en hoe meer kans dat de verdere ontwikkeling van stotteren kan worden tegengehouden. Bij jonge kinderen gaat het stotteren soms ook volledig weg door de behandeling. De hersenen zijn dan nog flexibeler, waardoor de behandeling gemakkelijker aanslaat.

Als kleuterleerkracht kan je het verschil maken!

Detecteren en signaleren zijn twee gouden regels. Als je zelf merkt dat een kleuter stottert, ga dan eerlijk en open in gesprek met de ouders. Zo kan je nagaan of dezelfde problemen zich thuis ook voortdoen.

Stimuleer ouders om zich te informeren over de mogelijke spreekmoeilijkheden bij hun kind. Overleg met hen en geef het  advies om gespecialiseerde hulp te zoeken. Wil je een kind doorverwijzen,  maak dan bijvoorbeeld gebruik van de zoekfunctie op de website van de beroepsvereniging voor logopedisten: de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF). Hier kun je in Nederland een logopedist bij jou in de buurt zoeken. Of kijk bij de Nederlandse Vereniging voor stottertherapie.

Want door ouders juist te informeren, door snel en correct door te verwijzen, door juist te reageren op het stotteren en door adequaat op te treden wanneer er reacties komen, kan je een wereld van verschil maken!

Hoe ga ik nu om met stotteren?

  • Geef geen adviezen tijdens of na stottermomenten. Wees een neutrale luisteraar en herhaal kort wat het kind gezegd heeft.
  • Probeer het kind niet onnodig te prijzen wanneer het wel vlot praat. Zo geef je namelijk impliciet de boodschap dat het kind anders niet goed spreekt.
  • Probeer spreekdruk te verminderen; neem de tijd om naar het kind te luisteren en creëer ook een rustige gesprekssituatie. Verplicht niet om iets te vertellen in de kring en vuur niet de ene vraag na de andere af.
  • Probeer je spreektempo laag te houden en op het niveau van het kind te spreken.
  • Respecteer pauzes in een gesprek en wees streng wanneer andere kinderen de beurt afnemen of onderbreken.

Nog vragen? Reageer zeker met een bericht of bestel de folder ‘”Wat als je een stotterende kleuter in de klas hebt?” via www.vvl.be/webshop

Bronnen

Sociaal-cognitieve gedragstherapie voor stotteren bij heel jonge kinderen, Ronny Boey, VVL

Marjan Megens en Stefanie Eysselinckx