Jan Lepeltak

Mijn vakantiebaantjes verschilden in het begin nogal: van ’s nachts sjouwen bij Cacao de Zaan, brood inpakken bij King Corn, tot aan ‘onderhoudsmonteur’ bij een petrochemisch bedrijf waar mijn vader me had geparachuteerd. “Maar ik weet er niks van”, stamelde ik. “Maakt niet uit, gewoon opletten!”, was zijn antwoord. Er moesten leidingen en pakkingen worden vernieuwd, omgeleid of nieuw aangelegd.

Ik was de hulp van een echte onderhoudsmonteur. Hij keek mij bij de eerste klus recht in de ogen en zei: “Jij bent helemaal geen monteur hè?” Ik beaamde dat en antwoordde naar waarheid dat ik eigenlijk net studeerde. “Ok, kijk goed naar wat ik doe en luister naar wat ik vraag.” Het was vies en gevaarlijk werk.

Het nachtwerk beviel ook niet, al betaalde het niet slecht. Ik zocht iets schoons en duurzaams, niet zo zeer alleen een vakantiebaan maar ook een echte studentenbaan waardoor ik een deel van mijn studie kon bekostigen.

Zo kwam ik begin jaren ’70 te werken voor de gemeente Amsterdam. Eerst als suppoost in het Amsterdams Historisch Museum en later in het Stedelijk Museum. Nog herinner ik me de schitterende Kienholz-tentoonstelling. Er was een elektrische stoel en een ‘portible war-monument’ waar de hele dag een gekmakend God bless America uit klonk. Het nog steeds populaire Kienholzcafé The Beanery (1965) maakt nu deel uit van de vaste collectie van het SM. Al deze baantjes liepen via uitzendbureau ‘De Werkstudent’, dat beter betaalde dan de zuiver commerciële bureaus.

Uiteindelijk kwam ik terecht bij het Amsterdams GemeenteVervoersBedrijf (GVB). Het was begin jaren ’70 en het GVB bereidde zich voor op de sprong naar de toekomst met het programma ‘Lijnen voor morgen’. Dit voorzag in een betere aansluiting met de vrij nieuwe westelijke tuinsteden. Trams kregen eigen vrije banen en lijn 1 werd een lijn die in de spits om de drie minuten naar het CS reed.

Om dit alles te realiseren moesten er veel passagierstellingen en enquêtes plaatsvinden. Die werden grotendeels uitgevoerd door studenten onder leiding van oud-tramconducteurs. Het betaalde goed vooral in de weekends. Ik bemerkte dat er ook enkele studenten rechtstreeks in dienst waren bij het GVB. Dat betaalde beter en voorzag in bepaalde extra’s. Dit leek mij als student een droombaan. Dat was het ook voor enkele jaren. Je kon in overleg je uren wekelijks bepalen, je werkte bij de afdeling economie op het hoofdkantoor aan de Stadhouderskade (nu het hoofdkwartier van Tommy Hilfiger). Na verloop van tijd vroeg ik of ik ook niet direct bij ze kon werken en werd na een kort gesprek aangenomen.

Het was een bont studentengezelschap dat er werkte. Soms moesten we op kantoor de onderzoeksgegevens handmatig uitwerken (PC’s bestonden nog niet, alleen grote – som mechanische – rekenmachines). Je kreeg een personeelsidentiteitskaart die recht gaf op vrij openbaar vervoer in de hoofdstad. Die kaart was briljant. Elke buschauffeur of conducteur zag in jou een jonge collega van het hoofdkantoor. Bussen stopten vaak waar je wilde uitstappen, halte of niet. Je mocht bij de eindhaltes in hun schafthuisje komen en luisterde naar hun sterke verhalen.

lijn13-wachthuisje

Bij dag en ontij hadden we dienst. Arthur Sonnen (hij was een jaargenoot) bezat een Citroen Traction Avant. Dat gaf voorrechten en een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij moest de enquête- en telformulieren bij het startpunt uitdelen aan de andere studenten. Arthur was niet erg matineus, hij kon slecht tegen vroeg opstaan. Nadat hij enkele malen te laat kwam werd hij ontslagen. Later werd hij directeur van het Holland Festival. Dat te laat komen overkwam ook Gerard Wegman, vriend en eindredacteur van KomenskyPost. Meerdere vrienden heb ik het GVB ingeloodst, tot aan mijn huidige echtgenote.

Ik deelde een bureau op het hoofdkantoor met Damiaan, een erg rustige jongen die altijd gekleed in een bontjas het kantoor binnenkwam. Damiaan gaat al decennia door het leven als Dammie van de Geest, directeur van het Betty Asfalt Complex. Hij is de levenspartner van Paul Haenen (Margreet Dolman en ds. Gremdaat).

Bij het GVB kon in die tijd bijna alles. Er was een levendige handel in leren conducteurstassen die als zeer hip golden (het woord ‘cool’ kenden we nog niet). We wisten altijd wanneer onze baas, het hoofd van de afdeling economie, van vakantie terugkwam. Onze collega en tevens bedrijfsfotograaf verdween dan voor een dag in de doka (donkere kamer) om de vakantiefoto’s van de heer Smit (een stijl gereformeerd type) te ontwikkelen en af te drukken. Kennelijk vond niemand dat raar indertijd.

Maar er waren toch grenzen. Ik had een aardige laconieke student/collega die bij het GVB is blijven werken en daar later een turbulente carrière doormaakte. Het was John T. Hij stopte met zijn studie en bracht het (door zijn goede contacten met de ondernemingsraad?) tot lid van de directie van dit gemeentelijk bedrijf met meer dan 3000 personeelsleden. John had een groot hart. Misschien iets te groot. Toen zijn voetbalvereniging financieel in de problemen kwam, leek John de reddende engel. Hij voorzag de club van een lening uit de middelen van het GVB. Dat was natuurlijk niet de bedoeling en het betekende het einde van zijn GVB-carrière.