Judith Porcelijn

Mijn moeder had vroeger al niet zoveel met mijn ondernemende geest. Nog steeds niet trouwens. Als ik eens verzucht dat er nog weinig aanmeldingen zijn voor een training, dan merkt mijn moeder altijd weer op: “ach meid, gelukkig kun je altijd weer terug voor de klas. Daar is werk genoeg.” En ze legt dan altijd weer een stiekeme nadruk op daar. Dat een ervaren leraar met een onderwijsbevoegdheid kiest voor het onzekere bestaan van ZZP-er, gaat nog steeds haar verbeelding te boven.

Zo heb ik mijn allereerste vakantiebaantje ook geheel zelf ondernomen. Ik was dertien en we waren met een zeilboot naar Vlieland gevaren. Tijdens lange strooptochten door duinen en over strand verzamelde ik mooie steentjes en schelpen. Ik verstopte alles in een plastic zak onder in mijn kooi en smokkelde de zak mee naar huis. Pas in de auto terug naar huis merkte mijn moeder op dat ze nog steeds de zee rook. Ik hield wijselijk mijn mond. Ik kende mijn moeder toen eigenlijk ook al.

De rest van de zomervakantie sloot ik mij op in mijn kamer. Ik stalde al mijn verworven schatten uit op mijn bureau en bedacht ter plekke mijn eerste businessplan: Ik zou er prachtige sieraden van maken en die verkopen aan vrienden en familie. Ik zag het helemaal zitten en ging aan de slag. Ik friemelde en frutte als snel zo’n 6 uur per dag. Zo nu en dan sloop ik er vandoor om mijn voorraad zilverdraad, verf, fimoklei, lak en kraaltjes aan te vullen uit de plaatselijke hobbywinkel. En als mijn moeder vroeg: “Wat doe je toch de hele tijd boven?” dan antwoordde ik op mijn pubers: “Gewoon, … niks.”

Nu woonde er vlak bij ons een gezin met veel meiden waarvan de middelste dochter mijn beste vriendin was: Sandra. En Sandra kwam dagelijks even kijken naar hoe ik vorderde met mijn winkelvoorraad. Zij stalde alles uit, zette mijn bureaulamp erop en verdeelde mijn vakantiewerk in drie groepen: 1. Helemaal niks (moet dus weg) – 2. Kan nog wat worden (als je het precies zo maakt als ik zeg) en 3. Die koop ik zelf (of is geschikt voor één van mijn zussen). En zo had ik binnen 2 weken mijn eerste tientjes verdiend.

Ik was trots en besloot dat het tijd was om mijn moeder te vertellen dat mijn eerste vakantiebaantje mijn eerste verdiensten had opgeleverd. Ik nam mijn mooiste creaties mee naar beneden en liet ze zien. “Meid, wat heb je dat leuk gedaan. Enig!” Ze keek er ook blij bij. Maar toen ik liet vallen dat ik er geld mee had verdiend, betrok haar gezicht. “Je weet dat dat niet mag. Dat is kinderarbeid.” En daarmee was de kous af. Ze draaide zich om en riep me nog even toe: “en je zorgt ervoor dat morgen alles weg is.”

Sandra en haar zussen hadden al gevraagd of er nog wat leuks kwam, maar voor mij was de lol eraf. Ik heb alles weggegooid. Veel te braaf natuurlijk, maar ik voelde mij heel zielig: een ondernemende geest in de kiem gesmoord. Pas vijf jaar later had ik mijn volgende vakantiebaan, in een ziekenhuis. En mijn moeder zei: “Zorg dat ze daar tevreden over je zijn, dan mag je misschien wel blijven.”

Ik moest er niet aan denken: mijn hele leven werken in een ziekenhuis, brrr. Maar ik heb daar wel voor het eerst relaties met (zieke) kinderen opgebouwd, wat er weer voor gezorgd heeft dat ik besloot om de Pabo te gaan doen. En zo is alles toch altijd de schuld van mijn moeder gebleken.

Om haar te overtuigen van mijn goede inborst heb ik haar overigens afgelopen voorjaar meegenomen naar Praag. Buiten de schoolvakantie. Alles op mijn kosten. “Heb je dat allemaal bij elkaar verdiend? Meid wat knap!” En dat meende ze uit de grond van haar hart.