Frits van Kouwenhove

Mijn eerste vakantiebaantje kreeg ik toen ik 16 jaar was, bijrijder op een vrachtwagen van drankhandel Zonder in Almelo. In 1971 was ik net geslaagd voor de MAVO en zou na de vakantie beginnen in HAVO 4. Mijn moeder kende de eigenaar en nog voor mijn eerste vakantiedag zat ik in zijn kantoor om te horen wat de baan inhield en wat ik betaald zou krijgen. Ik kreeg een flesje vruchtenlimonade dat door het bedrijf zelf werd gemaakt. Een groen flesje Sinas met witte letters ZOLA, Zonder Limonade Almelo. Er werd verwacht dat ik voor 8 uur ’s morgens aanwezig was en afhankelijk van het rittenplan van de dag zo rond 5 uur ’s middags weer bij de zaak zou zijn. Verdiensten 60 gulden per week (uiteraard zwart betaald, nooit een loonstrook gezien en verzekerd tijdens je werk was je ook niet), per dag gratis flesje ZOLA en aan het eind van de vrijdagmiddag kon er door alle chauffeurs en bijrijders in de zaak aardig worden gedronken; je moest immers wel weten wat je bij de klanten bezorgde.

De eerste dag was memorabel. Ik liep met een chauffeur mee naar het emballageterrein waar zijn vrachtwagen stond. Eerst moesten alle lege bier- en limonadekratten en bierfusten uitgeladen en op de juiste plekken op het terrein gestapeld worden. Daar leerde ik met een steekwagen werken. Na even oefenen kon ik zonder problemen met vijf lege bierkratten op de steekkar een eind lopen en zelfs oneffenheden probleemloos passeren. Later leerde ik dat je met zes volle kratten, het zesde krat stak boven de steekkar uit, ook prima kon lopen en ook vanaf de straat zonder problemen de stoeprand kon nemen.

De eerste fout maakte ik toen ik op de bijrijderstoel in de vrachtwagen stapte. Ik zag dat de buitenspiegel aan mijn kant verkeerd stond afgesteld, vanaf mijn plek zag ik de weg niet. Ik draaide het raam open en stelde de spiegel zo af dat ik een prima zicht had. Of ik dat maar even wilde laten riep de chauffeur. Toen begreep ik pas het nut van twee buitenspiegels aan een auto.

Het uitladen van emballage viel wel mee; zweten deed je pas als de auto geladen moest worden met volle kratten en bierfusten van 50 liter. Dat was het werk van de bijrijder. Hulpmiddelen waren er niet, het kwam aan op je spierkracht. De chauffeur gaf aan de hand van een bestellijst aan wat waar op de wagen geladen moest worden; immers de ritvolgorde bepaalde wat het eerst van de wagen moest. Dat was trouwens nog wel een dingetje, de chauffeur die je als bijrijder had. De een hielp je mee met laden en sjouwen, een ander deed dat minimaal.

Almelo en omgeving (wij kwamen tot ver in Twente) heb ik met deze vakantiebaan goed leren kennen. De enkele keer dat ik daar nu nog een keer fiets of met de auto rijd, herken ik de cafés nog waar ik in de kelder stond om de drank en bierfusten te stapelen. Het aardige van dit werk was dat je in een café of restaurant verder kwam dan de ruimtes voor bezoekers. Je zag de achterkant van de voorkant met de keuken, de opslag en de kelders. Na verloop van tijd wist je bij welke zaak je met vertrouwen wat kon drinken en eten en waar vooral niet. Zo had je cafés waar altijd water in de kelder stond, de houten vloeren stonken naar bier en wat doorging voor een keuken er buitengewoon ongezond uitzag. Soms moest je een krakkemikkige keldertrap gebruik om in de kelder te komen. Het raam in de kelder zette je dan open en je chauffeur reikte je de kratten en bierfusten aan die je daarbuiten had geplaatst. Een als goed bekendstaand Chinees restaurant in Almelo heb ik aan de achterzijde goed leren kennen. Daar was de ingang om de drank aan te leveren. Daarbij passeerden we altijd een hondenhok met twee bouviers. In dat hok stonden ook de bakken met de noedels voor de bami en de rijst voor de nasi. Of die honden de noedels en de rijst lustten weet ik niet, ik heb daarna in dat restaurant nooit gegeten.

Drinken hoefde je nooit mee te nemen. Onderweg werd er bij de klanten na levering altijd wat gedronken. Mijn chauffeur lette altijd goed op dat ik limonade kreeg. Zelf was hij onder werktijd niet vies van een pilsje. Soms was de route zo uitgekiend dat er tussen de middag bij een restaurant de drank bezorgd kon worden. Dat leverde soms een maaltijd op. Was de route zo dat zijn huis in de buurt lag, dan werd daar tussen de middag gegeten. Ik heb heel wat keren op een bovenwoning in Wierden een hapje gegeten.

Op een vaste dag in de week, ik meen woensdag, werd en in de zaak zelf vruchtenlimonade gemaakt, bij ZOLA. In een aparte ruimte stond een lopende band met machine die de limonade mengde. Als jongste had ik het smerigste werk, de lege flesjes uit de kratten halen en op de lopende band van de spoelmachine zetten. Niet alle flesjes waren leeg en soms zat er in een flesje iets anders dan een restje limonade. Het machinepark was gedateerd, haperde geregeld en leverde bij tijd en wijle een hels kabaal op. Van een kwaliteitscontrole heb ik nooit iets gemerkt. Die limonade werd echter goed verkocht.

Grolsch, Hero, Hartevelt, Vlek, Hooghoudt, Dujardin, Bols en ZOLA, die namen blijven mij altijd bij. Als ik voor mijn werk bij de Rijksuniversiteit Groningen door het centrum fietste en een vrachtauto bij een café zag staan, kwamen altijd beelden voorbij van mijn eerste vakantiebaan.

indexFrits van Kouwenhove is ICT-expert en was werkzaam bij de SLO en de Universiteit Groningen. Hij publiceert ook over onderwijs.