Jan Lepeltak

Het geheel online werken, leren en lesgeven vergt een andere rol van de docent. Hij wordt online-instructeur, maar ook e-moderator van een aantal leergroepen. Dat vereist een andere aanpak. Er bestaan al veel ervaringen met deze vorm van leren. Denk aan gebieden waar nauwelijks leerkrachten aanwezig zijn of voor heel specialistische cursussen die op een beperkt aantal locaties in de wereld worden aangeboden.  
Dit blog bouwt voort op een eerder blog over de 5 stappen van Gilly Salmon. Salmon heeft al meer dan 20 jaar ervaring met online leren, o.a. bij de Open University in het Verenigd Koninkrijk. Zij combineert theorie en praktijk op voorbeeldige wijze.

Als docent (moderator) leer je je leerlingen via scaffoldingen (‘het opzetten van bouwsteigers’). Je bouwt de scaffolds om de leerling heen en haalt ze langzaam weg. Dat gebeurt allemaal online, synchroon (gelijktijdig voor iedereen). Zo leren leerlingen bijvoorbeeld om te gaan met een digitaal communicatiesysteem (CS). Maar vaak zal dat niet nodig zijn en zijn ze bekend met Skype, Whatsapp, Zoom, Instagram.  

  1. Toegang en motivatie
    De eerste stap is er om er voor te zorgen dat ook daadwerkelijk iedere leerling van de groep toegang heeft tot het systeem. Dat kan betekenen dat de eigen hard- en software daarvoor geschikt moet worden gemaakt. Dat men beschikt over de vereiste inloggegevens (login-naam en passwoord). Het gaat er ook om dat het eigen netwerk of de eigen thuisverbinding toegang geeft tot de leeromgeving en/of het communicatiesysteem (CS) zoals Zoom en It’s Learning. Het is belangrijk om genoeg tijd uit te trekken voor het leren omgaan met de leeromgeving. Vaak zijn er in het begin de nodige problemen met de toegang vanuit het netwerk (dit in verband met de interne netwerkbeveiliging waarbij later blijkt dat een bepaalde poort moet worden opengezet). De beschikbaarheid van een telefonische helpdesk is in dit stadium (voor en na de startbijeenkomst) wellicht cruciaal. 

    Belangrijk is dat vooral in dit startstadium uitnodigende, opwekkende en stimulerende e-mails door de leraar (e-moderator) worden verzonden, liefst in een behulpzame en opwekkende toon. Probeer na te gaan of elke deelnemer ook regelmatig het systeem bezoekt. Het is lastig om het later weer op te pikken
  2. Online socialisatie
    Nadat iedereen feitelijk technisch toegang heeft tot het CMC-systeem, moet er interactie ontstaan op basis van vertrouwen, wederzijdse kennis, interesse en respect. Daartoe kunnen verschillende opdrachten worden gegeven die een persoonlijk karakter hebben.

    Het is van belang dat de e-moderator empathisch gedrag vertoont. Vooral bij een synchrone chat (iedereen gelijktijdig online) luistert dit heel nauw. De mentor/moderator moet een link kunnen leggen met het persoonlijke van de deelnemer en verbanden kunnen leggen en zaken kunnen samenvatten. Voor instructie (EDI) kan synchroon (op het zelfde moment) de hele groep worden toegesproken. Verder verdient het de voorkeur kleine, liefst gedifferentieerde groepjes te werken van maximaal 5 tot 6 personen. Geef elk groepje een leuke naam. Stimuleer het ontstaan van eigen identiteiten van elke groepje. Als het gebruikte systeem dat mogelijk maakt, zorg dan ook voor vrije ruimte waarbinnen de groepsleden (leerlingen) zelf kunnen communiceren. Wees in deze fase alert op zaken als taalverruwing, uitbarstingen van kwaadheid of woede, de lurkers die weinig uitvoeren en nauwelijks deelnemen aan de activiteiten. Je kunt als het nodig is het ijs breken door een quiz te organiseren, je hobby’s te delen, foto’s uit te wisselen van je favoriete object in je kamer of woning. Wees alert op eventueel digitaal pestgedrag en stel hiervoor een protocol op met digitale gedragsregels.
  3. Info exchange 
    Het uitvoeren van allerlei opdrachten moet hier worden gefaciliteerd. Het gaat dan dus om meer open opdrachten in plaats van het louter en alleen asynchroon oefeningen maken, zoals de tafels leren of spelling- en rekenopdrachten uitvoeren. In alle gevallen moeten de opdrachten kristalhelder zijn.
    De kern van CMC is volgens Salmon dat het systeem alle deelnemers op dezelfde wijze toegang verleent tot informatie. Hier is ook sprake van het gezamenlijk uitvoeren van opdrachten. Dit noemt men computerondersteund samenwerkend leren of Computer Supported Collaborative Learning (CSCL). Samenwerkend leren wordt algemeen gezien als een succesvolle manier om de leeropbrengst van leerlingen te verbeteren.
    Bij het uitvoeren van een gezamenlijke opdracht moet gewaakt worden voor ‘lurking’ (sponzen) waarbij men zelf weinig inbrengt, maar vooral veel overneemt van anderen.
  4. Collaborative learning
    Kennisdelen en gezamenlijk kennis verwerven zijn kernpunten uit het CSILE-programma (Computer-Supported Intentional Learning Environment). Dat betekent dat de sociale component cruciaal is. Door samenwerking worden metacogitieve eigenschappen ontwikkeld. Je wordt gedwongen te reflecteren over je eigen werk en werk van anderen. Met name het communicatieve element dwingt je met behulp van taal je ideeën en ervaringen nader te expliciteren.
    Binnen allerlei onderwijscontexten komt men vormen van samenwerkend leren tegen.
  5. Kennisconstructie 
    Het zal duidelijk zijn dat er veel wordt verwacht van de leraar/e-moderator. In dit stadium gaat het vooral om een verdere  verdieping van de interactie tussen de leerlingen. Men formuleert ideeën die men heeft rond een bepaald thema/onderwerp. Vaak geeft men verschillende personen dezelfde taak. Wil dit succes hebben, dan zal men dit strikt moeten regelen en organiseren. Dat betekent duidelijke afspraken over procedures en binnen welk tijdsbestek er over en weer gereageerd moet worden. De uitdaging voor e-moderatoren is er voor te zorgen dat fouten en misverstanden bij de leerling op een voorzichtige en tactvolle manier worden overgebracht. Het is ook daarom van belang dat opdrachten zo helder mogelijk worden geformuleerd. 
    Bij open, thematische opdrachten ziet men ook dat leerlingen een kennisbank opzetten. Dit kan in de vorm van een website in plaats van een fysieke tentoonstelling. Dit gaat de kant op van een digitaal onderzoeksproject. 
  6. Verder ontwikkelen
    Het is de vraag of veel leerlingen deze fase bereiken. Hierbij krijgen zij zelf een aanzienlijke verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces met gebruikmaking van CMC-mogelijkheden. De elementen uit de voorafgaande fases.

Salmon gebruikt ‘sparks’: korte stimulerende en leuke opdrachten die de leerlingen binnen het CS moeten uitvoeren. Elke dag een paar om te beginnen en prikkels die iedereen trickert. Salmon geeft een groot aantal voorbeelden in:

Gilly Salmon. In E-tivities. The key to active online learning. London 2002.