Reisverhalen, Vakantieverhalen, Zomervehalen, Zomerverhalen

Lift naar het zuiden

Jan Lepeltak

Daar stonden we dan. Klaar om de wijde wereld in te trekken. Eerst gingen we met onze zware legerrugzakken, gekocht in de dumpwinkel van Loe Lap in de Reguliersbreestraat, in alle vroegte met lijn 25 naar de Utrechtsebrug.  We hadden een embleem met NL erop geschilderd. Dat zou onze kansen op een lift vast vergroten.  
Na intensief overleg tussen onze vaders mochten mijn schoolvriend Bertie en ik aan ons Europese liftavontuur beginnen. Ik zou die zomer 16 jaar worden – dat klinkt beter dan 15 jaar – mijn vriend 17.  

Onze eerste lift bracht ons meteen helemaal naar Nijmegen. Een zelfvoldane gymnastiekleraar vertelde onderweg over zijn werk en over zijn kennis, professor Asselbergs, beter bekend als de schrijver Anton van Duinkerken. Van Duinkerken was lid van zijn schoolbestuur.

Eind van de ochtend stapten we uit. Dat was een goed begin. We aten een boterham, kregen enkele korte tussenliftjes en toen een hele tijd niks. Eind van de middag liftten we via Limburg naar België. Het begon al te schemeren toen we bij Charleroi uitstapten op zoek naar een jeugdherberg die er niet was. Het werd steeds frisser en de situatie penibeler, en dat voor de eerste nacht. Geen plek om te slapen. Jaloers keken we door de halfgeopende gordijnen van de arbeiderswoningen. Het leek er warm en gezellig. 

We besloten te kiezen voor de open lucht in het nabijgelegen bos, al was er eigenlijk geen sprake van een keuze. Die nacht heb ik nauwelijks een oog dicht gedaan. Achter het ritselende struikgewas zag ik in het maanlicht steeds onbekenden die iets kwaads in de zin hadden. Daarbij moest ik steeds denken aan de enge, nachtelijke parkscène uit de film Blow up van Antonioni. Ik kon eindelijk opgelucht ademhalen toen het eerste daglicht aanbrak. Dit was eens maar nooit weer. 

Die ochtend vervolgden we ons liftavontuur. Ook nu weer veel kortstondige autoritjes. Achteraf vreemd dat we nooit een keer onze paspoorten hoefden te laten zien. Terwijl uit de autoradio de Beatles met hun net uitgekomen All you need is love klonken, reed ik voor het eerst Frankrijk binnen. Een gevoel van opwinding overviel mij.

Inmiddels was het alweer het eind van de middag. We stapten uit midden in de Franse campagne. Na een lange wandeling langs een D-weg kwamen we een Franse lifter tegen. Een jonge Parijse hippie die enkele woorden Engels sprak en waarmee wij met ons schoolfrans konden communiceren. Hij zocht ook een plaats voor de nacht en wat belangrijker was, hij bleek een geroutineerde lifter. Dat bood perspectieven. Bij een boerderij klopte hij aan met de vraag of we in de hooischuur konden slapen. ‘Pas de problem’ zei de Franse boer.
Achter het huis stond in de tuin een oude treinwagon waar een Parijse familie vakantie vierde. Nieuwsgierig als zij ook waren werden we uitgenodigd voor een glas wijn. De aangeschoten vader des huizes had het over ‘contrabande’ waaruit wij opmaakten dat zij zich ook met smokkelpraktijken bezighielden. Het was donker en het werd tijd om het hooi op te zoeken. Ondanks het gepiep van de aanwezige veldmuizen viel ik ditmaal binnen enkele seconden als een blok in slaap.

De zon scheen nog laag over de mistige korenvelden toen we opstonden en het hooi van onze kleren sloegen. We fristen ons wat op bij een waterpomp en bespraken onze plannen met onze Parijse vriend. In Frankrijk was volgens hem ‘autostop’ verboden. We keken hem ongelovig aan en besloten ons er niets van aan te trekken. Toen scheidden onze wegen zich, nadat hij ons zijn adres had gegeven. Hij ging terug naar Parijs en nodigde ons uit om bij hem langs te komen op zijn zolderkamer bij het Gare du Nord als we in de buurt waren. 

Eindeloze keren maakten wij die dag met onze duimen het liftgebaar. Het was om moedeloos van te worden. Liften op een kleine provinciale weg op het Noord-Franse platteland bleek een onmogelijke zaak. Na honderden Franse auto’s verscheen daar plots een Nederlands nummerbord, een zeegroene Peugeot 403. Wij sprongen op en zwaaiden radeloos driftig heen en weer met onze armen als drenkelingen op een onbewoond eiland naar een overkomend vliegtuig, wijzend naar onze NL-emblemen. De auto reed razendsnel door, onze laatste kans leek vervlogen. Maar dan, na een paar honderd meter, stopte hij. De bestuurder zette zijn auto in zijn achteruit en reed met hoge snelheid terug. 

De chauffeur bleek iemand van Noord-Afrikaanse komaf. Hij had een kek hoedje op, zoals je tegenwoordig vaak ziet bij jonge popartiesten. Hij gebaarde dat we moesten instappen, een persoon voorin en een persoon achterin. Wat nu zou volgen is de meest vreemde dodenrit die ik ooit van mijn leven hebben meegemaakt. Hij sprak redelijk goed Nederlands met een Arabisch accent. Toen we eenmaal goed en wel op weg waren, vroegen wij ons af waar we eigenlijk heen gingen, of beter, wat zijn reisdoel was. Het begon inmiddels te schemeren.  Zijn antwoord liet niets aan duidelijkheid te wensen over: “Ikke ga naar Marokko.” 

Bertie en ik keken elkaar verbaasd aan. “En in hoeveel dagen wilt u dat gaan doen? Waar gaat u stoppen om te slapen?” De man, ik noem hem Hassan al weet ik niet meer of dat ook zijn naam was, keek ons lachend aan. “Ik niet stoppen, maar rijden tot Algeciras en dan boot naar Ceuta. Waarom jullie niet mee naar Marokko?” Daar moesten we nog eens goed over nadenken. Het avontuur zoeken is leuk maar er zijn natuurlijk grenzen en we zouden maar twee weken wegblijven. Voor langer hadden we te weinig geld bij ons.

We besloten hem voorlopig het antwoord schuldig te blijven om deze wereldlift van Noord- naar Zuid-Frankrijk niet te versteren. Afwisselend moest een van ons bijrijder zijn. Het werd duidelijk waarom. De bijrijder zou er voor zorgen dat de bestuurder niet in slaap viel.  Dat bleek een lastige opgave.

Hassan was – wat we nu eufemistisch – een sportieve rijder zouden noemen. Hij hield er goed de vaart in en scheurde door het uitgestorven landschap met zijn dorpjes. Het was tegen middernacht dat we in een klein middenfrans stadje stopten voor een versnapering. Dat was voor ons zwarte koffie en voor Hassan zwarte koffie met een cognacje. Iedereen ging plassen en toen was het tijd om door te rijden. We vervolgden de reis en passeerden in provinciestadjes straten en pleinen. Opeens stonden we midden op een kruispunt stil. Hassan deed zijn deur open en maakte met de vingers van beide handen obscene gebaren naar enkele Franse meisjes die langs de weg stonden. Dat was niet de bedoeling, het laatste waar we trek in hadden was verzeild te raken in opstootje. We vroegen Hassan met klem om weer door te rijden, wat hij al vloekend dan ook deed.

Zo reden we de donkere nacht in. Wie op de achterbank zat, kon een uurtje slapen. De bijrijder moest vooral Hassan in de gaten houden. Dat ging redelijk tot de volgende dag begon aan te breken. We reden door dichte mistvlagen in een heuvelachtig landschap in Zuidwest Frankrijk op de Route-National naar Bordeaux. Inhalen was nu levensgevaarlijk, het was door de dichte flarden ochtendnevel absoluut onmogelijk te zien of er een tegenligger aankwam. De rollen werden omgedraaid. Het was nu Hassan die bijrijder Bertie steeds een por gaf om hem wakker te houden.

Het gevaarlijkste deel moest nog komen. De drukke tweebaansweg tussen Bordeaux en Bayonne, dicht bij de Spaanse grens.  De weg sneed zich een baan dwars door het eindeloos bosgebied van Landes. Na enige tijd moesten we vaart minderen, omdat we achter een lange militaire colonne kwamen te zitten. De legervoertuigen: vrachtauto’s die soldaten vervoerden, maar ook trucs die kanonnen voortsleepten en pantserauto’s. Dat nam allemaal veel tijd in beslag. Te veel tijd voor onze ongeduldige Marokkaanse chauffeur. Hij moest en zou gaan inhalen. Er waren bijzonder veel tegenliggers. Dat maakte hem niet uit. Wij dachten dat ons laatste uur had geslagen. Hij haalde in, ondanks de lichtsignalen van de tegenliggers, en dook vervolgens op het laatste moment tussen twee legertrucs in de colonne. Ook toen hij kon rekenen op salvo’s uit de claxons van de legervoertuigen. Wij gingen ons er mee bemoeien en vroegen of hij gek was geworden. Hassan reageerde lacherig en ging door met zijn acties totdat we do colonne in zijn geheel hadden ingehaald.  Gendarmes hebben we niet gezien wat je misschien zou verwachten.  Na enkele bloedstollende uren kwamen we in de loop van de middag aan in Bayonne. Vlak voor de brug van de Adour, de rivier die door Bayonne loopt en ten noorden van Biarritz in de oceaan stroomt, stopte Hassan. Hij wilde even uitrusten en vroeg nogmaals nadrukkelijk of we niet door wilden reizen naar Marokko. Hij vond het wel gezellig zo met zijn drieën. Wij bedankten hem beleefd en haalden onze zware groene rugzakken uit de bagagebak en gingen op zoek naar de jeugdherberg die hier wel te vinden was. 

We bleven enkele dagen in Bayonne en gingen zwemmen in Biarritz. Onze maaltijden konden we zelf in de jeugdherberg bereiden. Het betrof meestal blikken bonen in tomatensaus, enkele worstjes, een baguette en uiteraard simpele rode wijn. Dat we misschien wat jong waren voor wijn kwam niet in ons op, maar nog steeds vind ik deze combinatie heerlijk.

In Bayonne zwierven we rond tussen de verschillende straatartiesten. Zo was er een groepje met een dansende beer, waarbij zijn uitwerpselen na elk optreden netjes werden opgeruimd. 

Na enkele dagen Bayonne en Biarritz was het tijd om de terugreis te aanvaarden. Enigszins overmoedig van onze lange Franse lift dachten we wel gauw in Parijs te zijn. Maar liften naar Bordeaux viel tegen. We begonnen vroeg en werden bij een zijweg midden tussen de bossen afgezet. Lastig stoppen daar. Een stel van een jaar of dertig sloeg af de bosweg in. Na geruime tijd kwamen ze opgewekt terug hun kleding nog fatsoenerend. We konden mee tot Bordeaux. 

In Bordeaux sloeg de honger toe. Aan de havenkade van de Garonne vonden we een Routier.  In het morsige drukke truckerscafé kozen we voor de dagschotel. We hadden onze hongerige magen al met de stukken baguette gevuld, toen de patron met een grote, diepe pan langskwam en op ons bord een paar scheppen gele rijst met inhoud slingerde. Jaren later begreep ik dat ik toen mijn eerste bord paella had gegeten. 

Na de middaglunch zochten we een uitvalsweg op om onze reis te vervolgen. Er staat me niet zoveel meer van bij, behalve dat we uiteindelijk tegen het eind van de middag in Chatellerault terecht kwamen, waar ook weer een jeugdherberg was.

De rondborstige jeugdherbergvader vroeg of we ook meeaten. Voor een bescheiden bedrag schoven wij aan. Koken bleek de hobby de jeugdherbergvader. We kregen vooraf een onbekende groente met daarbij een dressing. Deze probeerde ik tevergeefs in zijn geheel op te eten. Mijn Franse tafelgenoten maakten mijn duidelijk dat dit bij artisjokken niet de bedoeling is.

Na de gezamenlijke afwas maakten we kennis met een nieuwe sport of moet ik zeggen rage: het gooien met een frisbee. Deze was meegenomen door een groepje Amerikaans studenten die een tour door Europa maakten. Een van de studenten luisterde naar de naam Gagarin en beweerde dat hij familie was van Yuri, de eerste mens in de ruimte. Het lijkt me achteraf een onwaarschijnlijk verhaal, al maakte internet me later duidelijk dat er vanaf 1940 de nodige Gagarins in de VS leefden.

We sliepen in een slaapzaal en waren blij de volgende ochtend richting de lichtstad verder te reizen. Na enkele uren die ons weer het ergste deden vrezen, stopte er een Renault 16 met de magische 75 op de kentekenplaat. Deze chauffeur ging naar Parijs! Het kon niet missen. De Parijzenaar was meer dan opgewekt, vrolijk en uitgelaten was beter geformuleerd. De reden bleek al spoedig, al drong de diepe reikwijdte pas vele jaren later tot ons door. De man had, zoals zovele Parijzenaars, vrouw en kinderen voor de zomervakantie naar de Atlantisch kust gebracht en zag een tijdelijk leven als le joyeux celibataire voor zich.

Hij trakteerde ons op een eenvoudige doch voedzame lunch, om vervolgens plankgas naar Parijs te rijden. Daar vonden wij uiteindelijk de zolderwoning van onze Noordfranse liftvriend, die ook nog eens thuis bleek te zijn. Het Parijs van toen is nu stevig veranderd, al was het alleen al omdat de groene Parijse gemeentebussen met balkon nu alleen nog in het buitenland als toeristenbus zijn te zien. We zwierven ’s avonds door de stad, aten Champignons a la grecque in een zelfbedieningsrestaurant en sliepen op de vloer van de zolderkamer.

Maar de tijd drong. Er was geen tijd meer voor een lang Parijs oponthoud. Bertie moest naar zijn familie die kampeerde in Zuid-Luxemburg en ik moest terug naar Amsterdam.Zo stond ik ’s morgens vroeg hoopvol alleen bij de luchthaven Le Bourget met mijn nadrukkelijke NL legerrugzak. Er gingen inderdaad de nodige Nederlands auto’s richting het vaderland. Na geruime tijd stopte een jong Nederlands stel. Hun eindbestemming was Arnhem. Dat kwam goed uit. Van mijn laatste guldens kon ik vandaaruit de trein nemen. We stopten onderweg voor een broodje en het stel zag mij benauwd kijken. Ze begrepen het en zeiden meteen dan zij trakteerden.

In het begin van de avond kwamen we in Arnhem aan. De sneltrein bracht mij naar het Amstelstation en net voor het binnenrijden zag ik de rivier met in de verte de Utrechtse brug waar wij op die ochtend stonden, toen we onze reis begonnen.

  1. Toto

    Prachtig reisverhaal en heel herkenbaar. Al door de start, met het vermelden van Loe Lap in de Reguliersbreestraat, gaf impliciet al een bepaling van een specifieke periode en daarmee is ook de sfeer van die tijd erbij te bedenken. Met enige regelmaat was ik ook in Loe Lap te vinden waar ik onder andere (jaren 70) pukkel tas met militair toebehoren (aluminium drinkfles, opvouwbare eetbakjes, etc) voor een habbekrats te bemachtigen, ik woonde toen namelijk in de Reguliersdwarsstraat. Diverse pukkels versleten op vele, weliswaar geen liftvakanties, maar fietsvakanties door jawel Frankrijk. Maar de overeenkomst met het beschreven vakantieavontuur is heel treffend!

  2. Where to go? Een reisroute die op het moment erg in trek is onder backpackers gaat richting het Oosten van Europa. Via Duitsland kan je naar Wenen, Praag, Bratislava en Budapest. Met een mix van geschiedenis, cultuur en hippe plekken behoren deze steden absoluut op de bucketlist. En nog een voordeel: alles is hier ook heel goedkoop. Ben je niet zo’n stedentripper maar meer opzoek naar country side en azuurblauwe kusten? Neem dan de route over de Brennerpas door Zwitserland richting Italie. Deze route neemt je mee langs de hoge toppen en beeldschone groene valleien van de Alpen. Vervolgens kan je de trip voortzetten naar de mooie kust van Italie.

Leave a Reply

Thema door Anders Norén