Johan De Wilde

Ik zie een garçon naar de verste tafel stappen. Telefoon, zo te zien. Een leraar verdwijnt even uit het zicht. Wanneer hij terug om de hoek verschijnt vang ik onmiddellijk de speurende blik van mijn klasgenoot. Zijn knik bevestigt mijn vrees. Lijkbleek sta ik op. Hoe ver ik ook van huis ben, aan het noodlot ontsnap ik niet.

Wanneer ik de hoorn terug op de haak leg, word ik verondersteld gerustgesteld te zijn. Ik ben het niet. Ik ben van de kaart. Ik wil van de planeet verdwijnen. Een paar dagen liefst, maar zelfs gewoon onzichtbaar worden is me niet gegund. Kop in kas stap ik terug naar mijn tafel. De blikken op mij vermenigvuldigen zich. Net als de vragen. Wie was het? Wat wisten ze te vertellen? Is het iets erg? Ik weer alles af, de opdringerige leraar die ik het minst wil zien, het felst.

Laat me met rust.

Het was april 1987, een regenachtige avond. Samen met tientallen andere jongens van de vijfde en zesde Latijnse van het Sint-Jan Berchmanscollege van Westmalle waren we net in Rome aangekomen, de tweede grote stop van onze Italiëreis. Nu we drie keer zo oud zijn als toen herinnert vast niemand van mijn klasgenoten zich wat ik zonet beschreven heb, hoe emotioneel die minuten toen voor mij ook waren. Andere settings en gebeurtenissen behoren ongetwijfeld wel tot ons collectieve geheugen: het forum romanum, waar een gepensioneerde classicus en vriend van onze leraren een redevoering afstak in de verschroeiende zon; Paestum en Pompeï de twee redenen waarom we diep de laars in- en uitreden; onze laatste uren in Venetië voor de tergend lange terugrit.

David temidden van Michelangelo’s gevangenen

Het hoogtepunt van onze reis lag die avond al achter mij. Michelangelo’s ‘Gevangenen’ in de Galleria dell’Accademia in Firenze hadden me verbluft. Voor het eerst in mijn leven had kunst me geraakt. Ik was zowaar een minuut of twee te laat op de afspraak bij de bus en niet omdat ik drank of een ijsje was gaan kopen of de leraars wilde jennen. Rome beloofde op dat moment nog meer kunst en geschiedenis, veel om naar uit te kijken.

De telefoon flitste me terug naar huis, 1500 kilometer en 5 dagen eerder. Ik was een crisis ontvlucht die me terug inhaalde. Ik was wellicht een van de leerlingen die het meest vrijheid genoot en verantwoordelijkheid moest dragen, een van de leerlingen die al het vaakst en langst alleen van huis waren weggeweest. En het ging slecht met mijn moeder. Eén en één was twee. Telefoon voor mij kon enkel slecht nieuws betekenen. Het was mijn moeder om te zeggen dat alles goed ging en dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Geen idee hoe de boodschap juist klonk. Ik herinner me alleen hoe boos ik was. Ze had me willen geruststellen, maar haar beste bedoelingen hadden me net een kleine doodsangst doen uitstaan. Zij begreep mij zo mogelijk nog minder.

Wat toen bijna even erg was voor mij, was een tweede angst, eentje die niet met het horen van een stem en een paar woorden overging, een die opkwam na de eerste. De meerderheid van mijn reisgenoten had geen flauw benul van de psychische problemen waar mijn moeder mee kampte en dat wilde ik liefst zo houden. Tegelijk besefte ik dat dat onmogelijk zou zijn. Geen kat zou me geloven als ik doodgemoedereerd terug op mijn stoel zou gaan zitten met de boodschap dat mijn ouders me voor een of andere banaliteit gebeld hadden. Dat ik grote emoties doorstaan had, was trouwens van mijn gezicht af te lezen, welke dat waren niet.

Piazza Navona

Piazza Navona wachtte. Het kon me gestolen worden tot ik besefte dat ik dan het risico liep achter te blijven met de leraar die ik het minst al in mijn hoofd en hart wou laten kijken. Een paar woorden met mijn beste maat en ik kon het leven weer aan. Voor hem moest ik mijn thuissituatie niet wegsteken. Hij kende ze. Dat hij normaal deed tegen mij en ik uiterlijk kalm bleef, volstond blijkbaar om de groep terug van onderwerp te doen veranderen. Van welke meisjesscholen in een straal van 25 kilometer rond Malle wisten we ook alweer dat ze vanavond ook in Rome waren?

Weg de spanning voor mij. Stress omhoog voor de homo’s in de klas die toen nog diep in de kast zaten. Schoolreizen kunnen banden smeden, kinderen een andere wereld leren kennen. Maar slecht geleid kunnen ze ongenadig zijn. Wie niet goed in de groep ligt, is pasmunt bij elke kamerverdeling. Wie met moeite de reis bekostigd krijgt, vreest elk vrij eet- of shopmoment. Stress, een oplopend slaaptekort dat spanning en conflict doet garen, ook dat is op reis gaan met een grote groep die elkaar slechts kent van in de klas.

De jongeren die het gevoel hebben dat hen iets ontnomen is, hebben daar ongetwijfeld niet bij stilgestaan. De potentiële geviseerden op de meerdaagse buitenlandse schoolreizen ongetwijfeld wel.

Johan de Wilde is lerarenopleider bij het Vlaamse Odyssee
Johan De Wilde is lerarenopleider bij het Vlaamse Odisee