Frits van Kouwenhove

Krikkenhaar ligt op een steenworp afstand van Almelo. Als kind zat ik op de Reigershöfteschool, een lagere school in de wijk De Riet, een echte arbeidersbuurt, rood tot diep in haar vezels. De eerste schoolreis die ik mij herinner was die naar Krikkenhaar. Een natuurvriendenhuis gelegen op een zandrug in een bos van vier hectare. Ik zal toen een jaar op 6 zijn geweest. Wat ik mij van die schoolreis (zo heette toen een eendaags tripje) nog herinner is de maaltijd aan het eind van de middag: patat, appelmoes en een bal gehakt. Een jaar of vijf geleden fietsten mijn vrouw en ik nog een keer in omgeving van Almelo (wij zijn daar midden jaren 70 vertrokken) en zijn op zoek gegaan naar Krikkenhaar. Het gebouw en de indeling is nauwelijks veranderd. De herinnering ook toen, nog even prettig.

In 1978 begon ik als docent voortgezet onderwijs op de M.L. King Mavo in Bellingwolde, Oost-Groningen. De jaarlijkse schoolreis hoorde bij je werk. Het waren ook geen eendaagse tripjes, maar meerdaagse schoolreizen. Waar je naar toe ging hing af van de klassen waarbij je werd ingedeeld. De klassen 1, 2 en 3 hadden meestal meerdaagse schoolreizen waarbij gekampeerd werd. De examenklas ging weleens naar het buitenland. Als mentor van een klas, ging je met die klas op schoolreis. Als beginnend docent kreeg je meestal het mentoraat van een brugklas en ging je mee op een week kamperen.

De kampeerweek voor de brugklassen werd aan het eind van het schooljaar gepland bij Het land van Bartje in Ees (Drenthe). Vanuit Bellingwolde ging het per fiets naar Ees, een tocht van pakweg 40 km die, inclusief pauze in Stadskanaal, zeker een uur of drie duurde. Met een groep leerlingen fietsen was echt een uitdaging: bleef het aantal valpartijen beperkt, hoe zat het met lekke banden en andere malheur? En kon iedereen het tempo bijhouden? Een lange groep brugklasfietsers werd opgedeeld in kleinere groepen met voor en achter zo’n groep een docent of partner van een docent. Ook dat hoorde bij de schoolreis, je partner (als die niet werkte) ging mee. Had je kleine kinderen die nog niet naar school gingen, dan gingen die ook mee. Zo maakte mijn dochter als vierjarige de schoolreis mee naar Ees, die ze later als leerling van de brugklas ook mee zou maken. Elke volwassene (wel of geen docent) verlichtte de taak van de anderen.

De bagage, de tenten en andere benodigdheden werden in het weekend voorafgaande aan de kampeerweek door een marktkoopman, wiens dochter bij ons op school zat, naar het Land van Bartje gebracht. De lange aanhanger diende ook als keuken. Het eten werd namelijk elke dag zelf gekookt. Gaskooktoestellen, gaspitten nam je ook uit eigen voorraad mee.

Kosten laag houden voor de ouders was kenmerkend voor onze schoolreizen uit die tijd. Lukte het niet voor elke ouder het bedrag voor de schoolreis bij elkaar te krijgen, dan was daar een potje voor. Welke ouders dat betrof wist je als docent, in een kleine gemeenschap kende je de meeste ouders en hun draagkracht wel.

Een week kamperen met soms 60 tot 80 leerlingen was een aanslag op je uithoudingsvermogen. Vooral de nachten waren kort. Ik bezat geen caravan en sliep met mijn vrouw in een tent, je hoorde elk geluidje en dat waren er veel in een nacht. Collega’s met een caravan sliepen wat beter door.

Na een aantal jaren was ik mentor van een eindexamenklas. De vierde klassen gingen in 1981 op excursie (dat heette geen schoolreis meer) naar Parijs. Een lange bustocht en een hotel in een wijk dicht tegen het centrum van Parijs. Bij de excursies naar Parijs ging er altijd een docent Frans mee. Voor de rest van de docenten was dat de steun en toeverlaat bij de aankoop van metrokaarten, bezoeken aan bezienswaardigheden, overleg met hoteleigenaar en de dagelijkse maaltijden. De meeste docenten beheersten het Frans onvoldoende om uitgebreide gesprekken te voeren.

Was je verantwoordelijkheid bij de schoolreizen van de klassen 1 t/m 3 in Nederland al groot, in Parijs was die nog beklemmender. Je moest ogen voor en achter hebben om een groep puberende vierdeklassers bij elkaar te houden. Vooral de dagelijkse ritjes met de metro waren een uitdaging. Je moest snel in- en uitstappen en zorgen dat geen leerlingen meer op het perron bleven staan of in de metro een rit maakten die niet gepland was. De laatste die in- en uitstapte was ook altijd een docent. Dat ging weleens verkeerd. Mobieltjes had je in die tijd nog niet, dus was het ook veel improviseren. Veel bezienswaardigheden van Parijs werden in drie dagen dankzij de metro bezocht.

Vierdeklassers hebben ook last van hormonen die ze dingen laat doen, die voor docenten lastig zijn. Voor de meiden waren Franse jongens onweerstaanbaar (daarover zo meer). De brommers van die Franse jongens waren voor de Groninger jongens een uitdaging. Wij hadden er echt werk van om te voorkomen dat ze op die brommers een ritje in Parijs zouden gaan maken. Mijn collega plukte een keer nog net een leerling van een brommer, die samen met een Franse jongen Parijs per brommer zou gaan verkennen. De leerling was zich van geen kwaad bewust.

De leerlingen sliepen op hotelkamers. Dat was lastiger in de gaten te houden dan leerlingen die op een kamppeerterrein in tentjes sliepen. Er werd dus ’s nachts gepatrouilleerd op de gangen. En toch ging het wel eens mis. Zo misten wij ’s nachts een meisje, zij had zich in de armen van zo’n onweerstaanbare Franse jongen geworpen. Bij thuiskomst in Bellingwolde stonden haar ouders met de Morning-afterpil bij bus.

Als leerling heb je meestal heerlijke herinneringen aan je schoolreizen, als docent kijk je er toch met een andere blik naar, namelijk werk. Maar ook dat leverde wat schoolreizen betreft goede ervaringen op. Je leert van sommige leerlingen aspecten kennen die je niet ziet als ze bij je in een klaslokaal zitten. En dat is vaak de winst van een schoolreis.

Tot september 1999 werkte ik in het voortgezet onderwijs. Daarna kreeg ik een aanstelling als docent bij de lerarenopleiding van de Rijksuniversiteit Groningen. Dat betekende ook het einde van de jaarlijkse schoolreis en andere verantwoordelijkheden en zorgen.

Frits van Kouwenhove

Was docent voortgezet onderwijs, lerarenopleider en educatief adviseur bij de Rijkuniversiteit Groningen. Nu gepensioneerd.