Jan Lepeltak

De rondborstige burgemeester Bruls van Nijmegen opende het Drongo-symposium over meertaligheid in het onderwijs dat plaatsvond aan de Radboud Universiteit. In Nijmegen worden bijna 200 verschillende talen gesproken wist de burgervader ons te vertellen. Nijmegen heeft zich met Amsterdamse branie tot taalhoofstad van het land verklaard. Het is ze gegund; tenslotte doet de Radboud Universiteit veel aan taalonderzoek.

De Stichting Drongo bestaat nu tien jaar wat de reden was voor een feestje van deze organisatie die zich inzet voor meertaligheid in onze cultuur en met name in het onderwijs. Drongo, genoemd naar een Afrikaanse vogel. Deze allemansvriend is beroemd om zijn ‘taalvermogen’ waarmee hij de zang van veel vogels moeiteloos imiteert.

Abdelhamed Idrissi opende de lijst van sprekers. Abdelhamed is de initiator van een project in Amsterdam-west waarbij bibliotheken/studiezalen worden ingezet voor kinderen in achterstandssituaties. Het is de bedoeling dat deze kinderen via begeleiding, Abdelhamid noemt zich life coach, kansen krijgen om zich beter te ontplooien. Hij werkt als professor of practice aan de Hogeschool van Amsterdam.

Na de Abdelhamed kreeg professor dr. Margot van Mulken, een ‘echte professor‘ van de Radboud Universiteit het woord. mevrouw Mulken is hoogleraar persuasieve communicatie. Helaas was aan haar presentatie weinig persuasiefs te ontdekken. Het voorlezen van een column tijdens een algemeen symposium werkt niet bepaald persuasief.

Wel of geen Engels in de collegezalen, daar ging het onder meer vanwege het groeiende aantal buitenlandse studenten over. Al gauw ging het om de vraag hoe je elkaar aanspreekt als docent en student in werkgroepen en overleg. Als ik het goed begreep stond de persoon Mulken erop door haar studenten met U te worden aangesproken. Uiteindelijk koos men er voor iemand alleen bij de achternaam aan te spreken. Klinkt niet erg gezellig. Geen mevrouw, professor, maar ook niet tutoyeren please.

Het leek een beetje een achterhaalde discussie. Dat je tutoyeren als leraar niet pikt van een brutale brugklaspieper is begrijpelijk, maar in de bovenbouw VO laat je je soms met je voornaam aanspreken. In het hoger onderwijs ligt het sowieso anders. Grote denkers als Noam Chomsky of hoogleraren als Simon Dik, Pieter Muijsken en Hugo Brandt Corstius vonden het prettiger getutoyeerd te worden. Het gaat later in de studie om meedenken en argumenteren, niet om titels.  

Ohran Agirdag, onderwijssocioloog en pedagoog van de Katholieke Universiteit Leuven, is een warm voorstander van meertaligheid in de school. Toch ziet hij dat veel leerkrachten de meertaligheid eerder zien als een probleem dan als een mogelijkheid om iets te doen aan bijvoorbeeld de kansenongelijkheid. Het probleem is wat hij noemt het deficitdenken, wanneer het gaat om de zogenoemde ‘achterstanden’ in het onderwijs. Men zoekt volgens Agirdag bij structurele ongelijkheden voortdurend naar wat er zou ‘tekortschieten’ bij bepaalde leerlingen en hun gezinnen. De achterstanden zouden liggen aan de opvoedingsstijl van de families, hun leesgedrag, hun materieel bezit. Achter dit denken zit een paternalistisch sentiment meent hij. Wij zullen die arme allochtone kinderen verder helpen als goed gesitueerde en opgeleide mensen. Ook de bejubelde onderwijswethouder Marjolein Moorman, bekend van de succesvolle documentaire serie Klassen, wordt deze houding verweten. De deficithypothese heeft een lange geschiedenis en gaat terug tot de jaren ’70 met sociolinguïsten als Willam Labov die hem ook verwierp in tegenstelling tot zijn Engelse counterpart Bernstein. Labov spreekt liever van differentie in plaats van deficiet, een term die door de Engelse sociolinguïst Bernstein is gemunt. Overigens blijken de twee opvattingen dichter bij elkaar te liggen dan in het verleden werd gedacht. Agirdag zag drie oplossingen (ik hoorde er twee).

  1. Lerarenopleidingen besteden nog steeds weinig en dus onvoldoende aandacht aan meertaligheid;
  2. Er moeten meer meertalige docenten voor de klas komen te staan.

Hoe meertaligheid in de schoolpraktijk positief kan uitpakken kan men lezen in het mooie boek van Lidy Peters: Talen die de school inkomen. Toch lijkt het probleem van de kansenongelijkheid in relatie tot taal complexer dan Agirdag doet voorkomen. Zie ook het verslag van ResearchEd2020.

Nadat de Nederlandse Norah Jones, in de persoon van Sophie Janna, enkele mooie Schotse folksongs had laten horen, kreeg men als grote kers op de taart een lezing van Adriaan van Dis. De recent als eredoctor gelouterde schrijver kwam meertalig uit de kast. Hij sprak over zijn strenge Indo-vader die meende geweldig foutloos Nederlands te spreken maar categorisch klemtonen verkeerd legde, zijn liefde voor het Zuid-Afrikaans en zijn moeizame opvoeding en vroege worsteling met de Nederlandse taal. Adje Mulder (zijn echte naam) had het in het bekakte Bergen aan Zee niet makkelijk. Zijn aangeleerde bekaktheid (‘if yiu can’t beat them, join them) is te verklaren. Hij beheerst naast het Totoks (Indo-Nederlands)  van zijn vader ook prachtige dialekten/talen van het West-Fries tot het Zuid-Afrikaans van Kaapstad. Het valt te hopen dat zijn lezing ook is opgenomen en binnenkort ook online valt te zien.