Coaching, Docenten, Kwaliteit, Leraren, Lerarenbegeleiding, Lerarenopleiding, Pabo, Stage, Vlaanderen

De ene mentor is de andere niet

Johan De Wilde

In een blog moet je kort door de bocht durven gaan; welnu: Hoe meer stage, hoe beter. Dat zeg ik niet, ik krijg het op mijn bord, recent nog tijdens een panelgesprek over de toekomst van de lerarenopleiding georganiseerd door de Arteveldehogeschool in samenwerking met Teacher Tapp Vlaanderen en de podcast Buiten de krijtlijnen. Een concrete insteek was een vraag uit de mini-enquête van Teacher Tapp.

Wat zou je hieruit kunnen afleiden? Niets, als je het mij vraagt. Ik verklaar me nader.

  • Aan welke lerarenopleiding denkt de respondent? Aan enkele vakken en wat uren stage in de marge van een universitaire opleiding pakweg 30 jaar geleden zoals de lerarenopleiding die ik genoot, aan een voltijdse bacheloropleiding van 3 jaar die in juni 2022 beëindigd werd of aan iets in het brede veld daartussen? 
  • Het woord ‘vooral’ in de vraag peilt naar een klemtoon. De respondenten die tevreden waren met de manier waarop theorie en praktijk geïntegreerd waren stonden voor een moeilijke keuze. ‘Niet van toepassing’ en ‘evenveel’ lijken op het eerste gezicht de meest voor de hand liggende opties, maar logisch zou ik ze niet noemen. Ze hebben misschien met recht en rede ‘theoretisch’ geantwoord.
  • Belangrijkst van al, wat leraren antwoorden over reële of vermeende accenten in heel verschillende lerarenopleidingen van kort of lang geleden, zegt niets over hoe het volgens hen in de toekomst zou moeten. Dat laatste blijkt eigenlijk ook uit een andere vraag die wel expliciet naar wenselijkheid peilt, maar die al even moeilijk te beantwoorden is.

De klassieke argumentatie tegen meer stage is dat een goede theoretische basis noodzakelijk blijft. De leraren die de ‘zwemmen-leer-je-toch-ook-in-het-zwembad’-retoriek hanteren ergeren zich blauw, als een stagiair Frans gebrekkig Frans spreekt of als de kleuteronderwijzer in spe met te weinig didactische voorbereiding in hun klas verschijnt. Terecht, want de kinderen hebben recht op goed onderwijs. Meer stage vroeg in de opleiding zou de kans daarop net verhogen. Meer nog, tot op het einde van de opleiding blijft het zinvol om bepaalde kennis en vaardigheden buiten de praktijkcontext op eigen niveau te verwerven en in te oefenen  en om weg van de kinderen kritisch te reflecteren over wat men in de theorie leest en op de praktijkvloer observeert en ervaart.

De ongemakkelijke waarheid: de ene mentor is de andere niet 

In de ideale wereld is heel veel mogelijk met lange intensieve stages en werkplekleren. Stagiairs kunnen dan onmiddellijk de transfer van de theorie naar de praktijk maken of live geïllustreerd zien en er daarna op een abstracter niveau op doordenken met een topprofessional. Die ideale mentoren reiken in de marge van stagelessen zelfs extra meta-commentaar en lectuur aan.  

Helaas baart de meerwaarde die we nog kunnen bieden bovenop wat topmentoren al doen me minder zorgen dan wat de mindere goden onder de mentoren doen, leraren die er achterhaalde onderwijspraktijken op nahouden en die in het slechtste geval zelfs stagiairs tegenhouden als ze zelf onderbouwde nieuwe inzichten in de praktijk willen brengen. 

Twee van de eerste werkzorgen die ik in mijn supervisiegroepen dit jaar besprak, hebben te maken met relaties van stagiairs met hun mentoren. De kern van de werkzorg was in het ene geval dat de student ondanks herhaaldelijk aandringen geen feedback kreeg en in het andere dat de zogenaamde feedback in wezen kritiek op de persoonlijkheid van de stagiair was. In de twee gevallen kwam daar een grote bekommernis om de evaluatie bij. 

Als supervisor probeer ik in eerste instantie de studenten de werkzorgen van hun medestudenten en de professionele situaties die er de context voor vormen te laten exploreren. Wat is er juist gebeurd? Wat dacht de medestudent, voelde hij, wilde hij? Oordelen doen we in principe niet. Maar als je studenten die over enkele maanden kunnen afstuderen en die al twee jaar op rij slaagden voor stage (met meerdere stages van een week of meer) ziet knikken als je hen parafraseert en zegt dat je boosheid, angst en frustratie voelt, dan is de neiging groot om wel te oordelen.   

Geen geïsoleerde gevallen

Een belangrijke stap in de bespreking is het toetsen van de herkenbaarheid. De meerderheid van mijn supervisanten herkent dergelijke verhalen. De ernst van de feiten loopt uiteen, maar bijna iedereen heeft tijdens zijn opleiding al eens ‘pech gehad met een mentor’, in die zin dat ze nagenoeg geen of laattijdig feedback kregen of zich als persoon niet welkom voelden. De minderheid die het nog niet zelf ervaarde, vindt de werkzorg niet minder relevant. Als het hen dit academiejaar niet meer kan overkomen, dan volgend jaar als startende leraar. 

Eigenlijk zouden we het niet voor mogelijk moeten kunnen houden. Leraar is niet alleen een sociaal beroep, leraren zijn ook dringend op zoek naar collega’s. Zelfs een opportunist weet dat hij er alle belang bij heeft een beste beentje voor te zetten als stagiairs op school komen, afstudeerders op de eerste plaats. Als supervisanten op de drempel van een onderwijscarrière zeggen dat ze nooit of te nimmer op hun stageschool willen werken, dan heeft die school een joekel van een probleem. Het geschonden imago bij een of meerdere potentiële toekomstige collega’s verbergt soms een algemener probleem van slechte collegiale relaties. Zoals meer stagiairs dan me lief is ervaring hebben met mentoren die hen werkzorgen baren, kennen ook te veel studenten leraarskamers waar geroddeld wordt en waar bepaalde collega’s systematisch wegblijven. 

Er is hoop

Alle studenten hebben meer goede mentoren gehad die hen optilden met professionele raad dan slechte. Sommige studenten vertellen geëmotioneerd over bewogen mentoren met een getraind luisterend oor die in moeilijke momenten voor hen het verschil hebben gemaakt en hun zelfvertrouwen hersteld. Hen zijn ze dankbaar; daar willen ze later gaan werken. Dergelijke bakens willen zij ook zijn voor stagiairs en collega’s later. 

Het doet me allemaal ontzettend hard denken aan de formule van mijn boek, 

Leraar worden en blijven = (K X W)²

Bronnen

De Wilde, Johan (2020) De Startende leraar. Lannoo Campus. 

Het debat waarvan sprake is er een met Adelbrecht Haenebalcke, Departementshoofd Onderwijs aan de Stad Gent, Hanne Rosius, lerarenopleider PAV van de PXL hogeschool en in 2022 verkozen tot leraar van het jaar door Klasse, Christine Hannes, Directeur van de Spectrumschool in Antwerpen en mezelf. Het is hier https://deleraardenkt.transistor.fm/episodes/over-de-lerarenopleiding te beluisteren. 

Johan De Wilde is redacteur van KomenskyPost en verbonden aan Odisee hogeschool als lerarenopleider, verantwoordelijke voor de coachingstool MyCompass en lid van Dienst Onderwijs en Kwaliteit. Hij is ook voorzitter van Velov (beroepsvereniging Vlaamse lerarenopleiders) en auteur en coauteur van de boeken De startende leraar en Leren Durven Coachen.

Geef een reactie

52 − = 43

Translate »