Beleid, Kwaliteit, OCW, PO, VO

De gevaren van de Excellente School

excellent

Maandag 22 januari 2018 zal voor sommige Nederlandse scholen als memorabel de boeken ingaan. Op deze dag ontvingen zij het predicaat ‘Excellente School’. Tegelijkertijd is ook een duidelijk kritisch geluid hoorbaar. Wat is de meerwaarde van de Excellente School? Vooralsnog is mijn conclusie dat het fenomeen grote gevaren met zich meebrengt. Gevaren die het onderwijs wederom ernstig kunnen beschadigen.

Door Mark van der Veen

De Excellente School

Een school die excellent wil worden, moet minimaal als ‘goed’ worden beoordeeld door de Onderwijsinspectie. Daarnaast moet de school zich profileren met een excellent profiel. Het is aan de school om aan te geven op welk gebied zij excellent wil zijn. Een onafhankelijke jury bepaalt of het profiel goed wordt uitgevoerd door de school, herkenbaar is, doorwerkt in de gehele organisatie en past binnen de visie van de school.

In de media komen verschillende voorbeelden voorbij van profielen. Zo wordt gesproken over ‘de persoonlijke ontwikkeling, kritisch naar jezelf leren kijken, onderwijs op maat en een breed, flexibel onderwijsaanbod.’ Op een andere school wordt gesproken over ‘gedeeld leiderschap’; de leerkrachten op die school zijn volgens de schoolleiding niet volgend, waar vele andere onderwijzers dat wel zijn.

Kritiek

Al eerder is kritiek geuit op het predicaat, zo ook door wijlen hoogleraar Jaap Dronkers. De criteria worden als onduidelijk beoordeeld en het zouden vooral scholen uit de subtop zijn die zich aanmelden voor een dergelijk predicaat. Het beleid zou zich moeten richten op het beter maken van álle scholen.

Zelf hoorde ik ook voorbeelden van kritiek uit het onderwijsveld. Zo vertelde een schooldirecteur me ooit dat goede wijn geen krans behoeft. Het leidde volgens hem alleen maar af van de daadwerkelijke taak van het onderwijs: het bieden van een sterke basis voor álle leerlingen. Een leraar die ik sprak wist me te vertellen dat de schoolleiding wel voor het predicaat ‘Excellente School’ gaat. De directeur wilde het eigenlijk niet, maar hij kon niet anders omdat het leerlingaantal sterk terugloopt en dit gekeerd moet worden. Hoewel het hier slechts gaat om enkele voorbeelden, geeft het een duidelijk gevaar weer: scholen gaan zich profileren om beter in de schijnwerpers te komen. Het leidt tot profileren als doel in plaats van als middel om het onderwijs kwalitatief aantoonbaar te verbeteren.

De moeizame aantoonbaarheid van kwaliteit

Kwaliteit in het onderwijs is altijd al een lastig punt van discussie geweest. Er zijn meerdere criteria die worden gehanteerd (Scheerens, Luyten en van Ravens, 2010), zoals productiviteit (opbrengsten), effectiviteit, onderwijs(on)gelijkheid, (financiële) efficiëntie, aanpassingsgerichtheid of een gefragmentariseerde benadering van meerdere criteria. Becket en Brookes (2008) benoemen daarnaast ook maatwerk (fitness for purpose). Criteria kunnen niet zomaar parallel naast elkaar bestaan; de keuze voor een criterium kan ten koste gaan van een ander criterium. Kiezen voor bijvoorbeeld meer maatwerk is ook kiezen voor meer ongelijkheid (zie o.a. Chall, 2000; Hirsch, 2016), en vice versa. In het onderwijs gaat het om keuzes maken. De keuze voor het ene aspect heeft gevolgen voor andere aspecten.

Verder onderscheiden Carmichael, Palermo, Reeve en Vallence (2001) twee soorten kwaliteit: kwaliteit vanuit een wetenschappelijk standpunt en kwaliteit vanuit een kunstzinnig standpunt. De eerste richt zich meer op de meetbare aspecten van kwaliteit (o.a. empirische data en kennis, zoals bij opbrengstgericht werken), de tweede gaat uit van een ruimer perspectief (o.a. expertise is meer dan de som van delen, creativiteit) waarbij meetbare aspecten nauwelijks een rol spelen.

maat

Juist de (lastige) aantoonbaarheid van kwaliteit is een van de de grootste angels is in het fenomeen van de Excellente School. Kritische leerlingen, persoonlijke ontwikkeling, onderwijs op maat, een breed en flexibel onderwijsaanbod en gedeeld leiderschap…het zijn allemaal profielen waarvan de betrouwbaarheid en validiteit zeer moeilijk (zo niet onmogelijk) is vast te stellen. Want hoe stel je objectief vast of leerlingen kritisch(er) zijn? Wanneer is een onderwijsaanbod breed en flexibel, en hoe bepaal je flexibiliteit? Wanneer is onderwijs genoeg op maat? En als voor deze fenomenen al een betrouwbaar en valide kader bestaat, hoe bepaal je dan dat het onderwijs daadwerkelijk beter is geworden? Dat een bepaalde innovatie meer zichtbaar is betekent ten slotte niet dat de innovatie ook zorgt voor beter onderwijs.

Gezien de zeer moeilijke meetbaarheid van de excellente profielen die scholen lijken te hanteren, is hier eerder sprake van een kunstzinnig kwaliteitsstandpunt dan van een meetbare. Laat staan van generaliseerbare en/of vergelijkbare kwaliteit. Daar hoeft in principe niet direct iets mis mee te zijn. Onderwijs is meer dan cognitie en meetbare kwaliteit. Dat scholen ergens voor staan is zelfs een must. Echter, het predicaat ‘excellent’ wekt de indruk van een meetlat, waarbij excellente scholen beter zijn dan andere ‘gewone’ goede scholen, terwijl dit niet zomaar kan worden gesteld. Scholen die staan voor ‘gewoon goed onderwijs’ worden op deze wijze tekort gedaan. Je kunt schijnbaar niet meer stellen dat goede wijn geen krans behoeft. Dit terwijl het uiteindelijk op dezelfde discussie lijkt of Picasso betere kunst heeft gemaakt dan Van Gogh. Maar Picasso is niet meer of minder excellent dan Van Gogh. Het is een kwestie van smaak, een keuze voor iets dat bij je past. Toch wordt met het predicaat ‘excellent’ een andere indruk gewekt.

Het is deze wrijving die een competitie in de hand werkt. Dat competitiegevoel zorgt ervoor dat scholen het gevoel kunnen krijgen zich te moéten profileren. Niet zozeer omdat scholen hier altijd zelf voor kiezen, maar omdat ouders overtuigd moeten worden van excellentie. Hoe ‘goed’ je ook wordt beoordeeld door de inspectie, als je niet excellent bent is het een potentieel gevaar dat dit invloed heeft op het leerlingenaantal van de school wanneer scholen in de omgeving het predicaat wel hebben. Het gevoel om te kiezen voor een excellente school omdat deze beter zou zijn, is misplaatst en werkt concurrentie in de hand waarvan we ons af moeten vragen of die in het onderwijs gewenst is.

Conclusie

Het predicaat ‘Excellente School’ is in het leven geroepen om scholen te stimuleren een extra stap te maken van ‘goed’ naar ‘nog beter’. Het is een duidelijk voorbeeld van ‘zachte regelgeving’, zoals Edith Hooge dit beschrijft tijdens haar lezing in De Balie op 28 november 2017. Het is niet zozeer een opgelegde maatregel, maar onbewust gaat er sturing uit van het predicaat doordat het de indruk wekt dat er sprake is van een meetlat. Het werkt een schijnconcurrentie in de hand, zonder dat daarbij direct sprake is van een aantoonbaar kwaliteitsverschil.

De Inspectie van het Onderwijs spreekt over betrouwbare en valide onderwijsprofielen. De vraag is echter of dit haalbaar is, laat staan generaliseerbaar. Dat excellente scholen beter presteren dan ‘gewone’ goede scholen is niet aantoonbaar en het frame van de Excellente School als ‘nog beter’ is dus verkeerd. Sterker nog, het gevaar bestaat zelfs dat profileringsdrang ten koste gaat van een stevige basis die het primair en voorgezet onderwijs dienen te bieden. Het beeld naar buiten wordt belangrijker dan de daadwerkelijke taak van de school. Wanneer het onderwijs doorslaat in het profileren, bestaat het gevaar dat veel partijen verliezen. Schoolleiders en besturen verliezen, omdat ze zich kunnen verliezen in profileringsdrang. De leraar verliest opnieuw onder de toenemende (werk- en profilerings)druk, de ouders verliezen omdat de kwaliteitskeuze voor een school misleidend kan zijn. En ja, ook de leerling verliest. De keuze om een school te profileren, zonder daadwerkelijk zicht te hebben op een aantoonbare kwaliteitsopbrengst, kan ten koste gaan van de (sterke) kennisbasis. Het zou niet de eerste keer zijn dat resultaten dalen door het profileren aan de hand onderwijsconcepten die niet aantoonbaar effectief zijn. Dergelijke trends waren eerder zichtbaar, onder meer in de vorm van het realistisch rekenonderwijs (zie ook hier, pag. 16) en met de computer in de klas als doel in plaats van als middel. Profileren zonder aantoonbare kwaliteitsverbetering is een fout die niet nog een keer moet worden gemaakt.

markMark van der Veen behaalde zijn lesbevoegdheid aan de pabo. Vervolgens studeerde hij Onderwijswetenschappen aan de Universiteit van Utrecht en de Open Universiteit. Hij is al geruime tijd voltijd groepsleerkracht in de bovenbouw van het basisonderwijs.
  1. Ik ben het helemaal eens met dit stuk.
    Bovendien ben ik van mening dat een school die zichzelf echt naar verbetering heeft moeten werken, dit meer verdient, dan een school die al nagenoeg “excellent” (en wat is excellent?) was.

    Hanneke de Frel

Leave a Reply

Thema door Anders Norén