Beleid, Kleuteronderwijs, Kwaliteit, Lerarenopleiding, Pabo, PO, Politiek

“Zorg voor een doorgaande lijn van groep 1 tot 8”

foto Gerard Wegman

Moet er een kleuterPABO komen om meer mannen te lokken? Aryan van der Leij meent van niet. Er is meer aan de hand. Hij pleit voor een beter alternatief. 

Een goed onderbouwd verhaal van Johan de Wilde, onze zuiderbuur. Naar aanleiding van de situatie in Nederland zit ik echter met een paar prangende vragen. 1) Waarom wil de politiek het ene probleem oplossen door het andere te (her)scheppen? In 1985 is de wet op het Basisonderwijs in werking getreden. Een van de pretenties van onderwijs van 4-12 jaar was het slechten van de kloof tussen kleuter- en lager onderwijs: de doorgaande lijn. Onlangs heeft OCW een conceptwetsvoorstel gepubliceerd waarin geregeld wordt dat de PABO opgesplitst wordt in een specialisatie voor het jonge (groep 1-2) en het oudere kind (groep 3-8). Daarmee wil het kabinet stimuleren dat meer mannen naar de PABO gaan en voor de klas komen te staan. Ook is er hoop dat er meer doorstromers komen van het MBO naar de PABO. De volgende argumenten om dat voorstel af te wijzen. 

1

Ten eerste de aanleiding: meer mannen naar de PABO lokken. Waarom wil de politiek het ene probleem oplossen door andere te (her)scheppen? In 1985 is de wet op het Basisonderwijs in werking getreden. Een van de pretenties van onderwijs van 4-12 jaar was het slechten van de kloof tussen kleuter- en lager onderwijs: een ononderbroken ontwikkelingsproces. Die kloof was veel te groot, o.a. door de sterk verschillende pedagogisch/didactische cultuur, in leven gehouden door verschillende opleidingen (PA en KLOS). Slachtoffers waren de leerlingen die van huis uit minder meekregen en de eerste klas (nu groep 3) binnenkwamen met een zo minimale bagage dat ze direct een achterstand hadden die ze nooit meer inliepen. Ongelijkheid van kansen verkleinen door onderwijs-op-maat was een van de andere pretenties van de wet op het BaO. De zogenaamde ‘verworvenheden van de kleuterschool’ – in het bijzonder het spelend leren – vergrootten die verschillen alleen maar en waren dus geen ‘onderwijs-op-maat’ dat leidde tot beheersing van de basisvaardigheden bij alle leerlingen. De Commissie Evaluatie Basisonderwijs constateerde echter al in 1994 dat de situatie er in de tussentijd niet veel beter op was geworden en dat is, sindsdien, eigenlijk zo gebleven. Het feit dat die kloof nog steeds groot is zou echter niet moeten leiden tot een restauratie van de opleiding tot kleuterleid(st)er en herstel van die ‘verworvenheden’, over te dragen door leerkrachten die daarin gespecialiseerd zijn, maar op een herbezinning op twee punten.

Ten eerste: waarom wordt, los van de vrouw/manverhouding, de broodnodige kwaliteitsverbetering van het onderwijs, in brede zin leidend tot betere leerlingprestaties op het gebied van lezen, rekenen en taal inclusief de voorbereiding daarop in de groepen 1 en 2, nog steeds niet gerealiseerd? Een oplossing kan zijn om de opleiding tot leraar Primair Onderwijs op te waarderen tot een strikt universitaire opleiding. Dat staat uiteraard haaks op de gedachte achter het wetsvoorstel dat juist de doorstroming van MBO naar PABO erdoor gestimuleerd zou kunnen worden. Zie voor een goed, succesvol, voorbeeld het door velen zo geliefde Finse model waarin al degenen die groepen van kinderen vanaf 2, 3 jaar begeleiden, ondersteunen en instrueren universitair zijn opgeleid. Op die wijze kunnen kennis en vaardigheden en, bovenal, de attitude om die te blijven verwerven en toepassen door academische nieuwsgierigheid naar wetenschappelijke verworvenheden, beter worden gegarandeerd en kan de kwaliteit duurzaam verbeterd worden: de ‘(hoger opgeleide) lerende leerkracht’ in de ‘(hoger opgeleide) lerende school’. In Nijmegen biedt de Radboud Universiteit zo’n opleiding aan voor het BaO, neem daar een voorbeeld aan.

Ten tweede, waarom wordt de kleuter toch altijd heilig verklaard? Het is net of er een splitsing is tussen een periode waarin het kind vooral ‘zichzelf’ spelenderwijs ontwikkelt, gevolgd door een periode waarin het ‘van buitenaf’ wordt onderwezen. Dat romantische kleuterkindbeeld is volstrekt achterhaald: alles, van baby af aan, wordt ontwikkeld in de wisselwerking tussen omgeving en aanleg. De gemiddelde kleuter die groep 3 binnenkomt kent al meer dan 20 letters. Degenen die uit hoogopgeleide families komen kennen bijkans al het hele alfabet plus een aantal dubbeltekens en lezen dus al. Degenen die die mazzel niet hebben kennen er hooguit 10 en hebben nog weinig benul van geletterdheid. Waar die verschillen vandaan komen is al sinds de 60er jaren duidelijk. Onderwijsonderzoekers en -inspectie blijven op milieuinvloeden hameren die kennelijk ‘spelenderwijs’ niet worden verkleind. De coronacrisis maakt de verschillen alleen maar groter, zo meldden onlangs de wethouders van de vier grote steden. Waarom is het onderwijs nog steeds niet in staat om te compenseren wat de risicoleerlingen thuis tekort komen?  Of is het onderwijs nog steeds weinig anders dan een reproducent van maatschappelijke ongelijkheid? De caesuur in de opleiding (weer) tussen groep 2 en 3 leggen draagt daar zeker aan bij. Maar, toegegeven, lesgeven in de lagere groepen vereist voor de kennisgebieden deels andere kennis en vaardigheden dan in de hogere. Een oplossing die zou kunnen bijdragen tot opheffing van de caesuur, c.q. het werkelijk realiseren van een doorgaande lijn, en tegelijkertijd tegemoet komt aan dit argument om te specialiseren, is het onderscheid tussen onder- en bovenbouw te verleggen naar het moment dat de (instrumentele) basisvaardigheden (technisch lezen, spelling, rekenen) overgaan in de toepassing daarvan in ‘hogere’ toegepaste vaardigheden (begrijpend lezen, teksten schrijven, rekenopgaven oplossen). Dat is, grosso modo, tussen groep 4 en 5. Dat betekent dus dat degenen die onderwijs verzorgen aan de jongere kinderen ook de overgang van voorbereidend naar aanvankelijk lezen en rekenen beheersen en vervolgens kunnen instrueren/begeleiden, en dus begrijpen hoe die onverbrekelijk samenhangen en geleidelijk in elkaar overgaan. Onderwijs-op-maat aan risicoleerlingen begint dan al in groep 1-2 en gaat naadloos over in groep 3-4. De mannen die liever ‘hogere’ vaardigheden onderwijzen aan wat oudere kinderen, kunnen met hun specialisatie vanaf groep 5 aan hun trekken komen.

2

De tweede kwestie betreft de gevolgde procedure voor het wetsvoorstel. Als de politiek meer mannen wil aantrekken als leraar basisonderwijs, waarom neemt diezelfde politiek dan niet de aanbevelingen van de door hen zelf ingestelde commissie Dijsselbloem (Tijd voor onderwijs, 2008) als leidend principe? Is het collectief geweten zo zwak dat er niet eens een periode van 12 jaar kan worden overbrugd bij de ontwikkeling van een wet? In dat rapport staat het kopje “Kritischer omgang scholen met didactische vernieuwingen”  met daaronder de aanbeveling: “Wetenschappelijke kennis moet daarbij worden benut of worden verkregen door kleinschalige vernieuwingen in de scholen. Samenwerking met de wetenschap kan een waarborg vormen voor zorgvuldigheid.” Dat geldt natuurlijk ook voor vernieuwing van de opleiding! Waarom dan nu direct een wetsvoorstel? Zijn de lessen van collega Dijsselbloem c.s. nu al verouderd? Bestaat er naast de ‘lerende school’, zoiets als de ‘lerende politiek’? Wordt er wel eens in het archief gesnuffeld? Waarom wordt er, in de geest van die commissie, niet eerst vijf jaar geëxperimenteerd met opleidingen? Bijvoorbeeld de positionering binnen de universiteit, met specialisaties voor groep 1-4 en 5-8? Heeft dat effect op de werving van studenten, i.h.b. jongens uit het VWO? Hebben wervingscampagnes en ‘goede voorbeelden’ extra effect? In het licht van de aanbevelingen van die commissie is het onbegrijpelijk dat een wetsvoorstel (weer) wordt gebaseerd op ideologie, maar niet op wetenschappelijke evidentie. De eerste zin van het rapport ‘Tijd voor onderwijs’ (2008) luidt: “De overheid heeft haar kerntaak, het zeker stellen van de kwaliteit van het onderwijs, de afgelopen jaren ernstig verwaarloosd.” Waar doet dat aan denken?

Aryan van der Leij is emeritus hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam

  1. Aryan van der Leij

    Dat zo’n specialisatiesplitsing mannelijke studenten naar de PABO zou lokken is geen verzinsel van mij maar een van de manieren om een breder draagvlak voor die splitsing te krijgen. Dat het leren van kleuters en oudere leerlingen fundamenteel verschillend zou zijn, is een verzinsel van o.a. de WSK. (Inter)nationale evidentie uit interventieonderzoeken (geheel in de geest van commissie Dijsselbloem, 2008) is volstrekt duidelijk: als het voorzien in eerlijke kansen in het aanleren van de basisvaardigheden centraal staat in het onderwijs, is directe instructie – aangepast aan de leeftijd en bij voorkeur zo individueel en ‘warm’ mogelijk – de meest effectieve weg, Ieder die het leren van jongere kinderen verhuld in allerlei mythen over ‘spelend’ of ‘ontdekkend’ of ‘autonoom’ of ‘kleuter-‘ (versus schools) leren ontkent dat de kansarme leerlingen (en daar komen er steeds meer van, blijkt in deze Coronatijd) thuis en op school veel minder directe stimulans en feedback krijgen dan de kansrijke kinderen en (dus) door kindvolgend onderwijs aansluitend ‘op hun niveau’ op steeds grotere achterstand worden gezet. De WSK is dus, in wezen, een aanhanger van elitarisme en niet van egalitarisme.

  2. De Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs (WSK) (https://www.wsk-kleuteronderwijs.nl/) kijkt heel anders naar het kleuteronderwijs en de voorgenomen pabo-differentiatie dan Van der Leij.

    1. Van der Leij meent dat de pabo-differentiatie ‘Jong Kind’-‘Ouder Kind’ (voortaan JK en OK) er is om meer mannen naar de pabo te krijgen.
    De aanleiding is de vele klachten over het kleuteronderwijs sedert 1985. Zie bijvoorbeeld Kleuters in de knel! (https://www.wsk-kleuteronderwijs.nl/wp-content/uploads/2013/04/Zwartboek-Kleuters-in-de-knel-april-2013-LR.pdf) en “Bijzonder weinig aandacht voor kleuter in PABO-opleiding” (https://www.wsk-kleuteronderwijs.nl/nieuws/bijzonder-weinig-aandacht-voor-kleuter-in-pabo-opleiding/).
    De bijkomende reden is het aantrekkelijker maken van de pabo voor mannen als bijdrage aan het oplossen van het lerarentekort. Ook wij denken dat de gedifferentieerde pabo zowel voor meisjes aantrekkelijker zal worden vanwege JK als voor jongens vanwege OK.
    Zie verder Kerngedachtes van de WSK over de pabo (https://www.wsk-kleuteronderwijs.nl/nieuws/kerngedachtes-van-de-wsk-over-de-pabo/).

    2. Van der Leij: ‘Een van de pretenties van onderwijs van 4-12 jaar was het slechten van de kloof tussen kleuter- en lager onderwijs: de doorgaande lijn’.
    Ten eerste, een kleuter is geen schoolkind, maar voorstanders van het basisonderwijs hadden een onhoudbaar beeld over de kleuter. Zie bijlage VI in reactie van de WSK op een internetartikel (https://www.wsk-kleuteronderwijs.nl/wp-content/uploads/2020/03/2020-02-28-reactie-op-science-guide.pdf).
    Ten tweede, het begrip ‘doorgaande lijn’ is van Tine Lambert-Anema: ‘het uitgaan in het kleuter- en lager-school-onderwijs van het “natuurlijke ontwikkelingsproces van ieder kind”’. De WSK is zeer vóór die doorgaande lijn.

    3. Van der Leij schrijft over een snijlijn tussen de groepen 2 en 3 (maar ook over een snijlijn tussen groep 4 en 5).
    Hét punt waarom dit alles draait is de psychologische ontwikkeling van het kind, op basis van een erfelijk pakket:
    Is dat een actief proces van binnenuit, waarin het kind ‘zich ontwikkelt’ – in een psychologische wisselwerking met zijn buitenwereld (‘Hee, dat is gek! Zou dat daardoor of daardoor komen?’)?
    Of is dat een betrekkelijk passief proces van buitenaf, waarin het kind ‘wordt ontwikkeld’ – in een wisselwerking met de sociale omgeving?
    Of de eerste zienswijze, die van de WSK is, achterhaald is of niet, is eenvoudig vast te stellen; twee voorbeelden staan in de bijlage bij onze brief aan het LOBO (https://www.wsk-kleuteronderwijs.nl/wp-content/uploads/2017/03/2017_03_15_lobo-en-agendacommissie_DEFINITIEF.pdf):
    • men neemt een taak waarover consensus is dat kinderen die rond 7 jaar beheersen, bijvoorbeeld het correcte schrijven van de eigen naam;
    • men vraagt kinderen tussen 3 en 8 jaar die taak uit te voeren; men neemt bijvoorbeeld twee kinderen tussen 3;0 en 3;3, …., twee tussen 4;3 en 4;6; twee tussen 4;6 en 5;0, …, twee tussen 7;6 en 8;0; dus 26 kinderen in totaal;
    • alle kinderen krijgen de opdracht onder exact dezelfde voorwaarden, met exact hetzelfde materiaal, met exact dezelfde verbale opdracht, zonder hulp (ook niet aan de jongsten), enzovoort.
    De WSK voorspelt dat deze proef, die uitgevoerd wordt om het niet-bestaan van de fasen empirisch aan te tonen, eenduidig zal aantonen dat de fasen wél bestaan, dus dat dat fasen zeker bestaan.

    Mede omdat kinderen zich in verschillende tempo’s ontwikkelen, komt er in het voorstel van de WSK dan ook geen snijlijn maar een snijstrook binnen groep 3:
    • JK geeft lesbevoegdheid voor de groepen 1-3;
    • OK geeft lesbevoegdheid voor de groepen 3-8.

Leave a Reply

Thema door Anders Norén