Jan Lepeltak

Het schooljaar is begonnen en schooldirecteuren moeten de eindjes weer vaak aan elkaar knopen. Er zijn gewoon te weinig leraren. Het lerarentekort neemt alleen maar toe. Dat heeft allerlei oorzaken. Er is te weinig toestroom van nieuwe leraren, te grote uitstroom na enkele jaren van gedesillusioneerde nieuwe leraren en natuurlijk door de vergrijzing in het onderwijs. Nog steeds kiezen veel te weinig jongeren voor het leraarschap. Hoe heeft het zover kunnen komen? 

Ik wijs twee groepen aan als hoofschuldigen: (1) de overheid en (2) de schoolbesturen. Hun verantwoordelijkheid in deze crisis is met elkaar verweven. Hoe zit dat dan? Nog terugkijken naar de HOS-nota van bijna 40 jaar geleden heeft weinig zin. Er is in het salarisgebouw van de leraren inmiddels al zoveel gebeurd dat de grote salarisbreuk tussen oude en nieuwe leraren ook niet meer bestaat. Wat dan wel? Het is zeker niet puur het salaris, zeker nu het grote verschil tussen graders in het primair en voortgezet onderwijs kleiner is geworden. Het salaris is alleszins redelijk te noemen. Wat dan wel?

Bij de overheid is het begonnen

De ellende begon bij overheid en politiek. Het is de combinatie van het invoeren van de lump sum, het besturen op afstand en het starten van Algemene BestuursDienst eind vorig eeuw. De ABD, ook wel de banencarrousel genoemd. Het ging het voor de ambtelijke topbanen niet meer om de inhoud. Geen vakmensen meer op cruciale bestuursposten op de ministeries maar algemene managers die inhoudelijk van toeten nog blazen weten. Daar is veel ellende uit voortgekomen. Mevrouw Alida Oppers, afkomstig uit de ABD, was directeur-generaal primair en voortgezet onderwijs (2014-2020) en is nu door de banencarrousel de hoogste baas bij de onderwijsinspectie. Zag zij het lerarentekort niet aankomen? Een blik op de CBS-statistieken had in haar tijd genoeg moeten zeggen. Tijdens de introductie van het examenvak informatica bleek deze sympathieke vrouw tijdens een onderwijsquizje niet bepaald de ‘slimste mens’ op onderwijsgebied. Op sommige simpele vragen moest zijn in het komisch bedoelde quizje het antwoord schuldig blijven.

Het beleid betekende een overheid die op afstand kwam. In de zorg, de wonigbouw en het onderwijs. Niks geen “chefsache”. Voor het onderwijs gingen schoolbesturen een belangrijke rol spelen bij het bewaken van de onderwijskwaliteit waarbij testen en protocollen, kortom adminstratie om zich in te dekken, een belangrijke rol speelde. Zaken waarvoor men niet was geëquipeerd. In ‘de goede oude tijd’ kon een manager van C&A ook nog voorzitter zijn van een katholiek schoolbestuur van een jezuïetenschool (leverancier van KVP/CDA bewindspersonen). Nu moest het allemaal professioneler en dus werden bureaus ingehuurd, onderwijskundige managers benoemd en werd er veel administratieve rompslomp over de leerkrachten uitgestrooid. Schaalvergroting, dus fusies, werd als noodzaak gezien. Scholen werden in de woorden van Eckart Wintzen vleesfabrieken.  Maar de besturen waren verheugd. Nu konden de scholen, eerst het VO en later het PO zelf grotendeels beslissen wat ze met hun centjes konden doen. 

Het vak werd voor de leraren zwaarder en bureaucratischer. Van de besturenkoepels, die zichzelf als sectorraden beschouwen ging weinig kritisch weerwerk uit. Stel je voor dat de lumpsum in gevaar zou komen. De schoolleiders werden managers. Zij verdedigden hun nieuwe hoge salarissen als marktconform, ze leidden tenslotte na de fusies een organisatie met honderden medewerkers. Miljoenen voor meer leraren, niemand weet wat er precies mee is gebeurd. Maar er kwamen nauwelijks nieuwe docenten voor de klas. Het geld werd ook soms opgepot. Men kreeg daardoor bij bepaalde scholen onnodig grote reserves. Angst was de leermeester. Ook leraren kregen op veel scholen niet wat ze zouden moeten verdienen. Die scholen werden er door de inspectie op aangesproken. 

Ook de besturenbonden en staatssecretaris Sander Dekker vonden dat de betrokkenheid van de leraarkrachten bij alle nieuwe plannen wel erg mager uit de verf kwam. Daar kwam nog bij dat men in weerwil van de commissie Dijsselbloem het nodig vond weer allerlei toekomstige leerplanvernieuwing aan te kondigen. Veel aandacht voor de echte problemen zoals het groeiende lerarentekort en de alsmaar toenemende laaggeletterdheid kregen weinig aandacht. Er ontstonden merkwaardige toekomstvisioenen over de plek van de leraar. Hij zou vooral coach worden en door ICT zou de hele onderwijswereld veranderen. Je hoefde veel minder te weten want je kon toch alles opzoeken op het internet. Voor de leraren vond men als fopspeen de Onderwijscoöperatie uit. Voor en door het onderwijs was het motto. Uiteindelijk trok het parlement gelukkig de stekker uit het omstreden en kostbare plan.

Jonge leraren verlieten na enkele jaren het onderwijs. Een illusie armer. De leraar bezwijkt vaak onder de administratieve last zoals eerder gesteld, terwijl dat helemaal niet nodig is, zoals bijvoorbeeld de Türingschool in Amsterdam laat zien. Daar komt nog bij dat schoolbestuurders en nieuwe directeuren zelf vaak zelf geen lesbevoegdheid of -ervaring hebben. Dus nooit voor de klas hebben gestaan. Ik was op scholen waarbij de directeur eerder een ICT-bedrijf had geleid. Het is de onzekerheid van schoolbestuurders die ertoe leidt dat de leerkracht in onvoldoende mate zijn ding kan doen. 
Daarbij speelt ook mee dat veel Pabo’s, als het om cruciale zaken als lees- en rekenonderwijs gaat, zaken hebben laten liggen. Het sociaal-constructivistische leren gold als leidend principe voor de visitatiecommissies die de Pabo’s moesten beoordelen, zo kon men lezen in een visitatierapport van lector Jozef Kok. Directe instructie werd als een gruwel gezien.

Er is een groot tekort aan leraren Nederlands. Enkele jaren geleden heb ik gesolliciteerd als leraar Nederlands (volledig bevoegd 1e graads docent met 10 jaar leservaring). Ik verlangde er naar op latere leeftijd weer eens les te geven. Nooit werd ik opgeroepen of ik kreeg ik via een van de sollicitatieplatforms een afwijzende reactie. Ook paste mijn profiel niet in het team. Een van de schoolleiders die ik erom vroeg zei: “Jan, dat is na al die jaren toch niks meer voor jou”.  Een bevriende collega was eerlijker en zei: “Jij bent veel te duur voor een school.  Liever een jonge, goedkope leraar in opleiding dan een ouwe rot die het lesgeven mist.”

Nawoord:

Niet elke bestuurder loopt nog gedachteloos achter de PO- en VO-raad aan. Er zijn besturen die ook geen lid meer van de overkoepelende clubs zijn en ook in deze raden lijkt de verandering ingezet. We kennen inmiddels goede voorbeelden waar docenten met plezier lesgeven en van hun directie alle ruimte krijgen. Maar in deze tijden van grote krapte op de arbeidsmarkt zijn dit er nog te weinig. Het leraarschap wordt helaas door velen nog als een fuik voor het leven gezien en soms terecht. Ook worden veel van de door het veld niet gewenste veranderingen in samenspraak met de SLO doorgedrukt. We zijn er nog lang niet.