Laaggeletterdheid: centrale aansturing is noodzaak.  

Jan Lepeltak

In de goed gevulde grote zaal van het WTC in Rotterdam zat iedereen anderhalve meter van elkaar. De bijeenkomst was al enkele malen uitgesteld, maar ging nu eindelijk, onder Covid-19 mitsen en maren, wel door. Het onderwerp is er belangrijk genoeg voor: het verontrustend groeiende percentage laaggeletterden, jongeren die op vijftienjarige leeftijd het funderend onderwijs verlaten. Ook zorgelijk is de constatering van de onderwijsinspectie dat bijna de helft van de basisscholen zijn leesonderwijs niet op orde heeft. Daar komt dan nog de ‘onverklaarbare groei’ van de dyslexieverklaringen van de laatste jaren bij.  

Het was ook het officiële moment waarop Marita Eskes haar succesvolle handboek Technisch lezen in een doorlopende leerlijn (2e druk inmiddels) coronasafe aan haar mentor Kees Vernooy mocht aanbieden. Zie hier voor een uitgebreide recensie.

Naast Marita Eskes gaven Kees Vernooy (oud-lector) en Aryan van der Leij (emeritus hoogleraar) presentaties waarbij het kernthema was dat het leesprobleem ontstaat doordat de basis voor leesvaardigheid, namelijk het aanleren van aanvankelijk en technisch lezen, onvoldoende in groep 3 en 4 (en ook in de pre-periode van groep 1 en 2) wordt aangebracht.

Volgens het laatste Pisa-onderzoek (2019) verlaat 24% van de 15 jarigen in Nederland de school laaggeletterd. Dit percentage was in 2016 nog 17,8%.  Deze leerlingen verlaten de school met een achterstand die veruit de meesten niet meer zullen inlopen. Dat betekent dat veel (officiële) formulieren, ondertitels op tv, tabellen, krantenartikelen etc. niet worden begrepen. Dit heeft tot gevolg dat een (groeiende) grote groep niet volwaardig kan deelnamen aan het sociaal/maatschappelijke leven. 

Uiteraard is de overheid ook geschrokken maar reageert minister Slob met een weinig adequaat leesoffensief. Of zoals Aryan van der Leij stelde: “Je kunt niet zwemmen en toch zeggen: kom allemaal het zwembad in want zwemmen is zo fijn.”  
Een duidelijk plan en centrale aansturing ontbreekt volkomen. Het blijft bij pr-achtige campagnes die weinig opleveren en veel geld kosten. Het is treurig dat het parlement rustig toekijkt en dit laat gebeuren, terwijl al jaren bekend is waar de schoen wringt. 

Marita Eskes, zelf oud-leerkracht, vormt met haar boek een brug tussen wetenschap en praktijk. Zij zet de zaken weer eens op een rijtje. In groep 1- 2 moet sprake zijn van een goede leesstart, door bijvoorbeeld leuke verhalen voor te lezen. Er wordt belangstelling gewekt en de fantasie wordt, voor zover nodig, verder geprikkeld. In groep  2- 3 wordt gestructureerd begonnen technisch leren lezen. In groep 4-5-6 gaat men verder met decoderen en vlot leren lezen wat in groep 6-7-8 moet overgaan in vloeiend lezen en het onderhouden van de leesvaardigheid en de verdere uitbouw van vloeiend lezen. Een gestructureerd proces. Doet men dat niet, dan zakt de leesvaardigheid weer in. 

Kees Vernooy citeerde Catherine Snow, hoogleraar psycholinguïstiek en gerenommeerd expert kindertaal op Harvard (ooit was zij mijn docente op het instituut voor algemene taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam). Zij vindt dat het goed beheersen van begrijpend lezen de allerbelangrijkste 21e eeuwse vaardigheid is. Daarbij is men als lezer actief en doelgericht met een tekst bezig en is, zoals Kees Vernooy nog eens opmerkte, men als lezer in interactie met de tekst. Overigens bekritiseerde hij ook het taalgebruik in veel schoolboeken met onnodig korte zinnetjes en Aap-noot-mies achtige contexten die voor 12-jarige ronduit kinderachtig zijn. Wil men de onderwijspraktijk voor begrijpend lezen verbeteren, dan dient men volgens Vernooy te zorgen voor goede mondelinge taalvaardigheid, vloeiend lezen, verbeteren van de achtergrondkennis en de woordenschat en leren doelgericht om te gaan met teksten (metacognitief handelen). En werk met goede, geschikte teksten. Men dient rekening te houden met het verschil in thuistaal en schooltaal zoals hoogleraar en lid van de onderwijsraad Monique Volman tijdens ResearchED 2020 opmerkte. [zie ons verslag]

De kern van het betoog van Aryan van der Leij was: We weten al jaren hoe het moet, alleen, waarom gebeurt het dan toch niet? Als we zo doorgaan komen er jaarlijks 25.000 laaggeletterden bij. Iedereen kan leren lezen en schrijven. Volgens van der Leij houdt men bij degelijk leesonderwijs de echte dyslectici over en het oude dyslexiecijfer van 3,6%. Overigens zijn er onderzoekers zoals de hoogleraar Anna Bosman die überhaupt twijfelen aan het bestaan van dyslexie. Opmerkelijk blijft dat het hoogste percentage dyslexieverklaringen (DV) voorkomt op witte scholen. Van der Leij komt samen met Chris Struiksma en Wied Ruijssenaers op basis van onderzoek tot een blauwdruk hoe we kunnen komen tot een structurele verbetering.

Kern daarbij is goed educatief leiderschap binnen de school, waarbij de kwaliteit van het leesonderwijs wordt bewaakt en er wordt gezorgd voor duurzaamheid. Als een goede leerkracht vertrekt, zorg dan voor overdacht en continuïteit. Werk bovenschools samen en leer van elkaar. De combinatie van adequate aansturing door schoolleiders en bestuur, in- en externe ondersteuning en bovenschoolse samenwerking, en demonitoring van het proces en de kwaliteit en overdracht van aanpak voor nieuwkomers vormen een voorwaarde. In alle gevallen is directe instructie cruciaal. Lezen moet je geleerd worden. Hoe weten we al jaren op basis van onderzoek. Met het stimuleren van lezen los je het probleem niet op.

Zullen deze voorstellen de Hoftoren en minister Arie Slob ook bereiken of heeft men het daar nog steeds te druk met curriculum.nu, de wetenschappelijke commissie (zitten daar leesexperts in?), de rekentoets, het lerarentekort, Covid-19. Blijft men verder verwijzen naar de inspectie en legt men de verantwoordelijkheid uitsluitend bij de schoolbesturen? De onderwijsraad lijkt nog steeds op het spoor te zitten van ‘Ga zwemmen, dat is zo leuk’. Het zal, naar gevreesd wordt, vooral moeten komen van het parlement en de vakbonden. Misschien bieden de komende verkiezingen enig soelaas.